of 59054 LinkedIn

Ladder duurzame verstedelijking amper toegepast

Dat blijkt uit een analyse door het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) van circa tweehonderd bestemmingsplannen waarin nieuwbouw is opgenomen. In 72% procent van de bestemmingsplannen wordt de ladder voor duurzame verstedelijking niet toegepast, terwijl dat sinds 2012 wettelijk is verplicht.

Gemeenten ontwikkelen nog steeds nieuwe plannen zonder de noodzaak daarvan te motiveren en de behoefte af te stemmen in de regio. Dat blijkt uit een analyse door het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) van circa tweehonderd bestemmingsplannen waarin nieuwbouw is opgenomen. In 72% procent van de bestemmingsplannen wordt de ladder voor duurzame verstedelijking niet toegepast, terwijl dat sinds 2012 wettelijk is verplicht.

Niet concurreren 

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument waarmee gemeenten nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard kunnen motiveren met behulp van een stappenschema. Op die manier kan de overheid waarborgen dat plannen voor nieuwe woningen, bedrijventerreinen of infrastructuur zorgvuldig worden afgewogen en ingepast. Gemeenten moeten elkaar ten slotte niet beconcurreren met winkelcentra en woonwijken, die elders leegstand veroorzaken. Inmiddels zijn diverse bestemmingsplannen door de Raad van State vernietigd, omdat de ladder ontbrak.

 

Toets in drie stappen

Met de ladder kunnen gemeenten hun plannen in drie stappen toetsen, legt PBL-adviseur Rienk Kuiper uit. ‘De eerste stap verplicht overheden om regionaal af te stemmen welke behoefte er is aan woningen en winkels. Als die behoefte er is, moeten ze met de tweede stap beoordelen of de plannen in bestaand gebied kunnen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door herontwikkeling of herbestemming van leegstand. Als dat niet kan, moet worden gekeken hoe de plannen kunnen worden uitgevoerd op een locatie die multimodaal kan worden ontsloten, die dus bereikbaar is via de weg en het openbaar vervoer.’

 

Doelen niet gehaald

Kuiper is medeauteur van de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2014, waarin het PBL toetst of de doelen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) worden bereikt. De monitor is woensdag overhandigd aan Melanie Schultz van Haegen, minister van Infrastructuur en Milieu, als onderdeel van de ‘Balans van de Leefomgeving 2014’. PBL-directeur Maarten Hajer geeft geen oordeel over de conclusie dat de ladder voor duurzame verstedelijking amper wordt gebruikt door gemeenten. ‘Dat is aan de Tweede Kamer en aan de minister, die moet kijken hoe ze op deze doelstelling scherper kan sturen. Het PBL vraagt er wel nadrukkelijk aandacht voor: de doelen die de overheid stelt, worden op deze manier niet gehaald.’

 

Multimodale knooppunten niet benut

De multimodale knooppunten – waar wonen, werken, wegen en openbaar vervoer samenkomen – worden overigens nog lang niet optimaal benut, blijkt uit de PBL-monitor. Sinds 2000 zijn zowel nieuwe inwoners als nieuwe arbeidsplaatsen vooral terechtgekomen langs snelwegen, niet op multimodale locaties. De “nabijheid” van wonen en werken, een doelstelling uit de SVIR, nam daardoor per saldo niet toe.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door kid congo op
Ambtenaren vinden alles best, een geplaagde landschapsliefhebber noemde ze ooit ganzen in de wind.
Door beleidsadviseur op
wat een onzin.

De duurzaamheidsladder uit het Bro is al meermalen de nekslag geweest in een procedure bij de Afdeling waarbij sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling'. De meeste gemeentes hebben het nu echt wel tussen de oren zitten evenals bij elke rechtsbijstandsverlener, advocaat of andere hobby- jurist.

Daarnaast moeten niet de gemeenten verantwoordelijk worden gehouden, zoals iedereen toch wel moet weten is gebiedsontwikkeling een proces van de zeer lange adem. Een wijziging in het Bro zet niet opeens gesloten contracten opzij (en wie gaat de schade vanwege het niet nakomen van de contractuele verplichtingen betalen?). Nee, wie kan er ingrijpen wanneer de gemeente bestemmingsplannen niet goed motiveert? Wie kan aangeven in verordeningen dat dit een punt is van provinciaal belang? Precies, de provincies. Dus die hebben hier ook een rol in, maar geloof me, die vinden het wel prima zo.

De 'PBL adviseur' is weer typisch een adviseur die nog nooit een bestemmingsplan heeft gezien, die niet weet wat www.ruimtelijkeplannen.nl is en geen idee heeft van gebiedsontwikkelingen.
Door Peter de Bois (Lector/onderzoeker/stedenbouwkundige) op
Wat mij in het verlengde van deze discussie bezighoud is de wijze waarop stadsdelen, steden en provincies met het fenomeen van telkens ‘nieuwe plannen maken’ doen. Ik bedoel met nieuw zowel in de zin van een nieuwe initiatief en/of nieuw in de zin van een nieuw voorstel of aanpak voor een reeds gemaakt plan en de relatie tot die twee.

In een van onze studies in Amsterdam Oost werd duidelijke dat gedurende meer dan een decennium een groot aantal (we hebben 20 geselecteerd) plannen zijn gemaakt , niet uitgevoerd, maar wel telkens opnieuw de zelfde gebieden en/of thema’s adresseren, ze verdwijnen dus in een la, zijn ontstaan door de wisseling van de politieke wacht, worden niet inhoudelijk geëvalueerd, kennis en kwaliteiten niet meegenomen naar een verdere fase vanuit voortschrijdend inzicht etc etc.

Dit is niet alleen niet duurzaam in termen van reflectie op eerdere inzichten/kennis en de noodzakelijke verbetering daarvan maar ook financieel een enorme aderlating zonder dat er sprake is van een transparante noodzaak en/of duidelijke argumentatie word gegeven.

Wij denken dat er minimaal 5miljard aan gemeente financiën op deze wijze ‘down the drain’ gaan per politieke periode.

Wethouders en raden zijn in deze meestal de bron, opvattingen zonder nadere expertise de oorzaak blijkt, want de analyse toont dat er niet zo heel veel veranderd in die reeks van plannen, uitzonderingen daargelaten.

Er ligt dus binnen die ladder nog een mooie taak in dit verband.
Door Toine Goossens (Toezichthouder gedrag en moraal) op
Welke sancties kunnen burgers inroepen om gemeenten eens aan hun verplichtingen te houden?

Het is te zot voor woorden hoe gemeenten op de bres staan om meer en meer verantwoordelijkheden naar zich toe te schuiven, zonder dat zij programma's voor kwaliteit, betrouwbaarheid en integriteit van de besluitvorming nakomen.

De opstelling van gemeentes en gemeentelijke politici is volstrekt strijdig met het vertrouwensbeginsel waaraan zij zich dienen te houden.

Het wordt tijd dat zij examens afleggen over het toepassen van de fundamentele beginselen van behoorlijk bestuur.
Door Cees-Jan Pen (Programmamanager) op
Niet alleen lokaal, maar ook regionaal en provinciaal wordt de ladder vooral op papier beleden. Dit is ernstig en schaadt het vertrouwen in de overheid. Als we afspreken dat we de ladder belangrijk vinden en gaan hanteren, dan moet je dit doen. Decentraliseren is prachtig, maar het Rijk zal samen met nieuwe provinciebesturen toch iets moeten doen aan deze praktijk. Niet hanteren van de ladder schaadt weerstandsvermogen gemeenten op langere termijn. De waarde van met name werklocaties blijft achteruitgaan en vaak zie je bij nieuwe werklocatieontwikkelingen dat het voor gemeenten niet eens meer rendabel is. Ik hoop dat duurzame verstedelijking naast natuurlijk de 3Ds een van de topprioriteiten wordt in debat provinciale verkiezingen. Gelukkig zie ik op ambtelijk niveau in ieder geval veel positieve veranderingen bij provincies. Men beseft dat rollen en verantwoordelijkheden provincie moeten veranderen en aanpak overaanbod dringend nodig is. Schaarste is goed voor de concurrentiepositie van veel bestaande locaties. Het zou mooi zijn als Binnenlands Bestuur richting de provinciale verkiezingen dit thema geregeld hoog op de agenda zet en bericht over best en soms ook bad practices.
Door G. Wijnen (dir) op
Het nadeel van veel onderzoeksbureau's is dat zij werken met erg statische modellen. De dynamiek ontbreekt. Wat bijvoorbeeld als er weer een (vastgoed)crisis optreedt? Voor wat betreft de kantorenmarkt is er al jaren sprake van de zogenaamde varkenscyclus. Hoe gaan we om met dergelijke factoren?