of 58959 LinkedIn

Herbestemming fabrieken neemt vlucht door crisis

In het deze week gepresenteerde boek Terug naar de fabriek schetsen vijf auteurs aan de hand van 25 voormalige kathedralen van de arbeid in evenzoveel gemeenten de opkomst, neergang en herontdekking van gashouders, ketelhuizen, loodsen, machinekamers en remises.

Eind negentiende eeuw verrijzen overal in Nederland fabrieken in het landschap. Honderd jaar later sluiten veel van die industriële complexen hun deuren. Veel van wat intussen niet is gesloopt, krijgt nu een nieuwe bestemming, mede dankzij de crisis.

In het deze week gepresenteerde boek Terug naar de fabriek schetsen vijf auteurs aan de hand van 25 voormalige kathedralen van de arbeid in evenzoveel gemeenten de opkomst, neergang en herontdekking van gashouders, ketelhuizen, loodsen, machinekamers en remises.

Smeerpijpen
Veel rond 1890 gebouwde fabrieken moesten eind jaren zestig hun deuren sluiten. Stijgende loonkosten en internationale concurrentie waren de belangrijkste oorzaken. Protesten tegen de overlast die veel fabrieken met hun lawaai en smeerpijpen veroorzaakten, deden de rest. De ‘kathedralen van de vooruitgang’ komen leeg te staan of worden voor woningbouw of winkelcentra gesloopt. Jaco Boer, een van de auteurs, markeert de ommekeer in het denken in de jaren negentig. De precieze plek: de Westergasfabriek in Amsterdam. Dat zwaar vervuilde complex groeit door toedoen van avontuurlijke ondernemers en kunstenaars vanaf 1992 in korte tijd uit tot een nieuwe culturele hotspot.

Ook buiten Amsterdam storten projectontwikkelaars zich op het ontwikkelen van een nieuwe toekomst van het industrieel erfgoed. Vaak sneed het mes bovendien aan twee kanten: opgeknapt industrieel erfgoed verbeterde de uitstraling van het omliggende gebied, waardoor het opeens interessanter wordt daar woningen en kantoren neer te zetten. In die jaren ging het vaak om centraal geplande projecten met veel subsidie. En vooral ook ‘ambitieus, groots en van bovenaf’, waardoor regelmatig het karakter van de fabrieken verloren ging.

Kleinschalige activiteiten
Als in 2008 de bankencrisis uitbreekt, houden projectontwikkelaars noodgedwongen ineens de hand op de knip. Hoe ingrijpend en schrijnend de economische crisis ook is, voor het industrieel erfgoed pakt het uiteindelijk goed uit, constateren de auteurs. Volgens deskundigen zijn oude fabrieken, die gesloopt zouden worden, door de crisis blijven staan. Als sprekend voorbeeld wordt de gang van zaken rondom de Prodent-fabriek in Amersfoort aangehaald. De gemeente wilde nieuwbouw op de plek van die fabriek, maar de bankencrisis haalde een streep door de plannen. Nu omarmt de gemeente de nieuwe, kleinschalige activiteiten die op die plek zijn ontstaan.

Slow planning
Ook de non-profitorganisatie voor herbestemming van industrieel erfgoed, BOEi, ziet haar portefeuille momenteel snel groeien. Het nieuwe concept is om de gebouwen meer geleidelijk te ontwikkelen, zodra de kansen zich voordoen. Het zijn niet meer de grote projectontwikkelaars, maar vaak kleinere aannemers. ‘Het gaat meer stap voor stap’, zegt Jaco Boer. ‘Het wordt kleinschaliger en organischer aangepakt. Anderen gebruiken de term ‘slow planning.’

Lees het hele artikel in Binnenlands Bestuur nr. 19 van deze week. (inlog)


Terug naar de fabriek. 25 industriële iconen met nieuwe energie

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Hannes Haganum (overheidsdienaar) op
Het is jammer dat wij in Nederland in het verleden zo snel waren met slopen en opruimen. In de jaren '80 en deels nog in de jaren '90 zijn er prachtige industriële boegbeelden uit steden en dorpen verdwenen. Wie in Engeland, Ierland of het oosten van Duitsland ziet wat een pareltjes in het stadsbeeld dit vaak zijn, kan slechts vaststellen wat er door onze calvinistische opruimwoede aan cultuur is verdwenen. Er zijn ook goede voorbeelden, zoals Groningen en Enschede of de ijzergieterijen in Ulft.