of 59250 LinkedIn

Welk criterium geldt bij de (gedeeltelijke) intrekking van een omgevingsvergunning?

Reageer
 

ABRS 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2610

Vooraf
In deze uitspraak gaat het allereerst om de vraag of op grond van artikel 2.33, lid 2, aanhef en onder a van de Wabo een omgevingsvergunning  gedeeltelijk kan worden ingetrokken. Uit de uitspraak blijkt dat daarbij ook relevant is of in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking gebruik kan worden gemaakt. Het is belangrijk dat bevoegde gezagen bij de besluitvorming ook aan dat aspect aandacht besteden.

De feiten
Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college) heeft op grond van de Wet milieubeheer aan Toorank een vergunning verleend voor onder meer het produceren, distilleren en bottelen van alcohol- en niet-alcoholhoudende dranken. Sinds de inwerkingtreding van de Wabo wordt deze gelijkgesteld met een omgevingsvergunning. Het college heeft de omgevingsvergunning gedeeltelijk ingetrokken, namelijk voor zover die betrekking heeft op het stoken van whisky op de grond dat Toorank nooit whisky had gestookt. Het door Toorank tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is het college in hoger beroep gegaan. 

Verrichte handelingen met gebruikmaking van de vergunning
Volgens de rechtbank kon het college de omgevingsvergunning niet gedeeltelijk intrekken, nu Toorank in de drie jaren voorafgaand aan de intrekking dranken heeft opgeslagen op het terrein van de inrichting. Met andere woorden: er is niet voldaan aan het vereiste dat gedurende die periode geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

Het college betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 2.33, lid 2, aanhef en onder a van de Wabo wel degelijk grondslag biedt voor gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning wanneer slechts gedeeltelijk handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De Afdeling gaat hierin mee en overweegt dat uit de tekst van voornoemd artikel niet volgt dat de bevoegdheid tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning slechts bestaat als in het geheel geen gebruik is gemaakt van de vergunning.  Nu vast staat dat het stoken van whisky gedurende drie jaar niet binnen de inrichting heeft plaatsgevonden, was het college bevoegd de omgevingsvergunning in te trekken voor wat betreft het stoken van whisky, aldus de Afdeling.
 

Redelijkheidstoets
Vervolgens is het de vraag of het college in redelijkheid van haar intrekkingsbevoegdheid gebruik kon maken. Toorank stelt namelijk te hebben gewacht met investeringen voor de oprichting van de distilleerderij, omdat de gemeente voornemens was het terrein van de inrichting te verwerven om woningbouw nabij de inrichting mogelijk te maken. Op enig moment is volgens Toorank van dit voornemen afgezien en was de gemeenteraad voornemens het bestemmingsplan zodanig te wijzigen dat een distilleerderij op de huidige locatie niet langer zou zijn toegestaan. Toorank meent daarom dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij heeft afgezien van investeringen voor het stoken van whisky en dat zij dus gedurende drie jaar geen gebruik heeft gemaakt van de vergunning voor zover die ziet op het stoken van whisky. De Afdeling  volgt dit betoog en is van oordeel dat het college in redelijkheid niet tot gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning heeft kunnen overgaan.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding