of 59054 LinkedIn

Vergunninghouder in de zin van de Wabo

Reageer

Door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van Harderwijk (hierna: het college) is aan vergunninghouder een ontheffing van het bestemmingsplan en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een hekwerk op een perceel (hierna: het perceel). Aan de bouwvergunning is de voorwaarde verbonden dat "aan drie zijden om het terrein een houtwal moet worden aangelegd en in stand moet blijven, zodat de zij- en achterzijde van de kwekerij grotendeels aan het zicht is onttrokken".

Nadat dit vergunningvoorschrift is overtreden gelast het college aan wederpartij A en wederpartij B, om een houtwal langs drie zijden van het perceel aan te leggen, onder oplegging van een eenmalige dwangsom van € 30.000,00.

 

Niet in geschil is dat de eigendom van het perceel in handen is van bedrijf A. De helft van de aandelen in deze vennootschap wordt gehouden door wederpartij A en de andere helft door bedrijf B. De natuurlijke persoon wederpartij B is voor 100% eigenaar van wederpartij A. De vergunninghouder is voor 100% eigenaar van bedrijf B.
Omdat bedrijf B (welk bedrijf gedeeltelijk aandeelhouder is van bedrijf A) ten tijde van het bestreden dwangsombesluit in staat van faillissement verkeerde en de vergunninghouder voor het college niet meer traceerbaar was, heeft het college de last onder dwangsom aan wederpartij A en wederpartij B opgelegd.

 

De vraag die in onderhavige procedure centraal staat is of het college terecht wederpartij A en wederpartij B als overtreder van het vergunningvoorschrift heeft kunnen aanmerken.

Van belang is dat artikel 2.25, eerste lid van de Wabo bepaalt dat een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

 

Het college betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat wederpartij A en wederpartij B niet kunnen worden aangemerkt als overtreders van het vergunningvoorschrift, omdat gesteld noch gebleken is dat zij, naast vergunninghouder, het project uitvoeren als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid van de Wabo. Volgens het college is de last onder dwangsom terecht aan hen opgelegd. Wederpartij A en wederpartij B zijn te beschouwen als overtreders van het vergunningvoorschrift, omdat zij, als eigenaren van het perceel, volgens het college zijn aan te merken als degenen die het project uitvoeren.

 

Onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Wabo (Kamerstukken II, 2006-2007, 30 844, p. 113) overweegt de Afdeling dat de tweede volzin van artikel 2.25, eerste lid van de Wabo moet worden gelezen in samenhang met de eerste volzin van dat artikellid en dat het in de tweede volzin gebezigde begrip "vergunninghouder" in ruime zin moet worden opgevat. Onder dat begrip moet hier worden verstaan degene die het project uitvoert, dat wil zeggen degene die voor die uitvoering verantwoordelijk is en voor wie de omgevingsvergunning derhalve geldt.

 

Gelet op het bepaalde in de Memorie van Toelichting heeft het college op zichzelf weliswaar terecht betoogd dat niet slechts de vergunninghouder – dat wil zeggen degene aan wie de vergunning destijds is verleend – overtreder van het aan de vergunning verbonden voorschrift kan zijn, maar dat op basis van de omstandigheden in onderhavige kwestie noch wederpartij A, noch wederpartij B is aan te merken als vergunninghouder in de in artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo bedoelde ruime zin. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.

 

Niet wederpartij A, maar bedrijf A was ten tijde van het bestreden dwangsombesluit eigenaar van de gronden waarop het project is gerealiseerd. Niet in geschil is dat bedrijf A ten tijde van dit besluit niet verkeerde in staat van faillissement. Gesteld noch gebleken is dat bedrijf A niet in staat was de overtreding ongedaan te maken. Bovendien dienden het hekwerk en de houtwal als omheining van de destijds op het perceel aanwezige kwekerij, en ter zitting is namens wederpartij A en wederpartij B onweersproken gesteld dat zij geen bemoeienis hadden met de exploitatie van die kwekerij. Dat wederpartij A 50% van de aandelen in eigendom had van de vennootschap die de gronden waarop de kwekerij werd geëxploiteerd in eigendom had, is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om haar als eigenaar of opdrachtgever verantwoordelijk te achten voor de uitvoering van het project.

 

De uitspraak maakt duidelijk dat het in de tweede volzin van artikel 2.25, eerste lid van de Wabo

gebezigde begrip "vergunninghouder" in ruime zin moet worden opgevat en dat onder dat begrip moet worden verstaan degene die het project uitvoert, dat wil zeggen degene die voor die uitvoering verantwoordelijk is en voor wie de omgevingsvergunning derhalve geldt. Dit betekent voor de praktijk dat degene die voor de uitvoering van het project verantwoordelijk is, er zorg voor dient te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

AfbeeldingNysingh advocaten-notarissen

 

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35 

www.nysingh.nl

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding