of 59183 LinkedIn

Geen rangorde bij toepassing van binnenplanse afwijkingsregeling of buitenplanse kruimelgevallenregeling.

Reageer

Afbeeldingmr. M.J. Tunnissen (Mark)

 

ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2985

Door het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het algemeen bestuur) is een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan vergroten van drie bestaande balkons aan de achtergevel van een gebouw.

Niet in geschil is dat de in het bouwplan voorziene balkons op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet zijn toegestaan. Om het bouwplan mogelijk te maken, heeft het algemeen bestuur een omgevingsvergunning ex artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Wabo.

 

In hoger beroep stelt appellant zich onder meer op het standpunt dat het algemeen bestuur ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van onder meer artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Wabo (lees: met toepassing van de kruimelgevallenregeling zoals opgenomen in artikel 4 van Bijlage II van het Bor). Appellant voert daartoe aan dat een balkon blijkens onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2364) moet worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk en dat het realiseren daarvan onder artikel 4 van Bijlage II van het Bor valt.

 

De Afdeling overweegt dat appellant terecht betoogt dat het bouwplan voorziet in een zogenoemd kruimelgeval als bedoeld in artikel 4, aanhef en vierde lid van Bijlage II bij het Bor. Naar het oordeel van de Afdeling volgt echter uit de Wabo, noch uit enig andere wettelijke regeling dat tussen de binnenplanse afwijkingsregeling als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Wabo en de buitenplanse kruimelgevallenregeling als bedoeld artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Wabo een rangorde bestaat op grond waarvan het algemeen bestuur gehouden is om voorrang te geven aan de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Wabo. Hierbij acht de Afdeling van belang dat – anders dan bij de toepassing van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo – bij zowel de binnenplanse afwijkingsregeling als bij de buitenplanse kruimelgevallenregeling de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is en in beide situaties de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

 

Uit deze uitspraak blijkt dus dat het bevoegd gezag geen rangorde hoeft toe te passen als het gaat om het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo met toepassing van de binnenplanse afwijkingsregeling of de buitenplanse kruimelgevallenregeling. Een vergelijkbare rangorde is eerder door de Afdeling wel aangenomen in een uitspraak van 26 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:58). In die uitspraak oordeelde de Afdeling dat indien een bouwplan valt binnen de reikwijdte van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º van de Wabo, maar op grond van het gevoerde beleid geen omgevingsvergunning kan worden verleend, het bevoegd gezag niet bevoegd is om toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º van de Wabo.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding