of 59045 LinkedIn

Een voorwerp op de weg: is de wegbeheerder aansprakelijk?

Reageer

Afbeeldingmr. L. van den Ham-Leerkes (Lianne)

 

Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283 

In de wet is bepaald dat de wegbeheerder (het verantwoordelijke overheidslichaam) moet zorgen dat de openbare weg in goede staat verkeert. Verkeert de openbare weg in een gebrekkige toestand en ontstaat daardoor schade, dan is de wegbeheerder daarvoor aansprakelijk. Maar wat wordt verstaan onder de openbare weg en hoever strekt dat begrip?

Elektriciteitskabels op de stoep
Recentelijk heeft de Hoge Raad zich over deze vraag uitgelaten in een zaak waarin de vraag centraal stond of een wegbeheerder (in dit geval een gemeente) ingevolge artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor schade die de benadeelde heeft geleden als gevolg van het feit dat zij is gestruikeld over kabels die op de openbare weg lagen. Het geval deed zich voor dat een vrouw (eiseres in cassatie) op 3 januari 2009 op de stoep van de Burchtstraat in Nijmegen ten val is gekomen doordat zij is gestruikeld over een of meer elektriciteitskabels die over de stoep lagen. Deze elektriciteitskabels, in eigendom van de marktkraamhouders, liepen van een elektriciteitskast, die in eigendom toebehoort aan de gemeente, naar de marktkramen. Als gevolg van haar val heeft eiseres letsel opgelopen aan beide knieën. Eiseres houdt in onderhavige procedure de gemeente, als wegbeheerder, aansprakelijk voor de door haar geleden schade primair op grond van artikel 6:174 BW en subsidiair op grond van artikel 6:162 BW.

 

Wat maakt onderdeel uit van de weguitrusting?
Zowel de rechtbank als het hof hebben de vorderingen van eiseres afgewezen. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen (in r.o. 3.3.1): een openbare weg is een opstal in de zin van artikel 6:174 BW, waarvoor geldt dat voorwerpen die op, naast of boven de verkeersbaan zijn aangebracht of dienen ter inrichting van de verkeersbaan voor het verkeersgebruik, vallen onder het begrip ‘opstal’ in de zin van artikel 6:174 BW. Elektriciteitskabels die door marktlieden ter plaatse worden neergelegd (alleen wanneer er markt is), maken geen deel uit van de openbare weg. De kabels zijn immers niet vast verbonden met de weg of de weguitrusting en evenmin dienen de kabels ten behoeve van enige functie van de weg. De elektriciteitskasten zijn daarentegen wel vast verbonden met de openbare weg, permanent aanwezig en geplaatst door de gemeente, maar zij maken geen deel uit van de weguitrusting, nu zij niet geplaatst zijn ten behoeve van de weg of van het verkeersgebruik. De omstandigheid dat noch de elektriciteitskabels, noch de elektriciteitskasten deel uitmaken van de openbare weg, brengt mee dat de vraag of de weg al dan niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, onbeantwoord kan blijven. Evenwel beantwoordt het hof deze vraag wel en merkt op dat overigens geen sprake is van een gevaar, nu zich op het marktterrein rondom de marktkramen allerlei voorwerpen kunnen bevinden waardoor de vrije doorgang kan worden belemmerd en voetgangers zich er daarom van bewust zijn (of althans dat zouden moeten zijn) dat voorzichtigheid is geboden. Bovendien waren de donkere elektriciteitskabels op het lichte wegdek goed zichtbaar. Daarom kan volgens het hof niet gezegd worden dat de stoep waarop zich ten tijde van de markt elektriciteitskabels bevinden, niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.


Kelderluikcriteria van toepassing? 
Het hof komt vervolgens toe aan beoordeling van de subsidiaire grondslag van eiseres: onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Het hof merkt van deze tweede grondslag op (in r.o. 3.3.2) dat toetsing dient plaats te vinden aan de hand van de Kelderluikcriteria (zie: HR 5 november 1965, NJ 1966,136). Toepassing van die criteria leidt er volgens het hof toe dat niet gezegd kan worden dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Immers, de kans dat een voetganger over een goed zichtbare elektriciteitskabel struikelt is niet groot, de kans dat daaruit ernstige ongevallen ontstaan is evenmin groot, daarnaast is onvoldoende gebleken dat de gemeente veiligheidsmaatregelen had kunnen treffen om een ongeval zoals eiseres die is overkomen te voorkomen en onvoldoende is gebleken dat het risico van ernstig letsel zo groot was dat van de gemeente had mogen worden verwacht dat zij een zeer vergaande maatregel als het ondergronds wegwerken van de kabels had moeten nemen. Ook wanneer op de bewuste dag de kabels niet goed zichtbaar waren omdat het druk was op de markt waardoor eiseres geen goed zicht had op het trottoir, leidt dat er volgens het hof niet toe dat de gemeente verdergaande maatregelen had moeten treffen. Sterker nog, een voetganger dient in zo’n geval nog meer dan anders te letten op waar hij zijn voeten plaatst.

 

Eiseres gaat in cassatie en stelt zich onder meer op het standpunt dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, de elektriciteitskabels en de elektriciteitskast onderdeel uitmaken van de openbare weg. De Hoge Raad oordeelt in lijn met het hof dat de aanwezigheid van een voorwerp op de openbare weg niet behoort tot die openbare weg in de zin van artikel 6:174 BW. Wanneer dat voorwerp gevaar schept voor personen of zaken, levert dit geen gebrek op van de weg als bedoeld in voornoemd artikel. Wel kan de wegbeheerder volgens de Hoge Raad op de voet van artikel 6:162 BW, mede uit hoofde van zijn algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers, aansprakelijk zijn voor de aanwezigheid van voorwerpen op de weg, die niet van de weg, het weglichaam of weguitrusting deel uitmaken. De wegbeheerder moet dan het verwijt kunnen worden gemaakt dat hij in deze zorgplicht is tekortgeschoten. De Hoge Raad geeft aan dat aan de hand van de Kelderluikcriteria beoordeeld moet worden of de wegbeheerder in onderhavige kwestie ter zake een verwijt kan worden gemaakt. De Hoge Raad volgt de motivatie van het hof op dit punt en oordeelt dat hiervan geen sprake is.

 

Wat leert ons deze rechtspraak?
Een voorwerp op de weg maakt de weg zelf nog niet gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW, zolang het voorwerp niet vast en permanent verbonden is met de weg en geen deel uitmaakt van de weguitrusting.

 

Dit betekent echter niet dat de wegbeheerder niet aansprakelijk kan worden gehouden wanneer zich een ongeval voordoet als gevolg van een voorwerp op de weg. Levert dit voorwerp een gevaarlijke situatie op en laat de wegbeheerder die situatie voortbestaan, terwijl hij op de hoogte is, dan wel behoort te zijn van de gevaarlijke situatie, dan kan dat een schending van de zorgplicht van de wegbeheerder opleveren, als gevolg waarvan de wegbeheerder aansprakelijk kan worden gehouden.
Evenwel betekent het niet dat de weggebruiker zelf niet oplettend hoeft te zijn. Van de weggebruiker mag worden verwacht dat hij een algemene voorzichtigheid betracht en rekening houdt met de (bijzondere) omstandigheden ter plaatse.

 

Neem voor meer informatie over dit of andere aansprakelijkheidsrechtelijke onderwerpen contact op met Lianne van den Ham, advocaat en aansprakelijkheidsrechtspecialist bij Nysingh advocaten- notarissen via E: lianne.vandenham@nysingh.nl | M: 06 20 84 63 85 | T: 055 – 5271390.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

AfbeeldingNysingh advocaten-notarissen

 

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35 

www.nysingh.nl

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding