of 58959 LinkedIn

Beantwoording prejudiciële vragen over richtlijn vluchtige stoffen

Reageer
 

AbRS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:383; HvJ 10 september 2015, C-81/14

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) heeft op 12 februari 2014 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg (“Hof”) gesteld in het kader van de richtlijn vluchtige stoffen (1999/13/EG). Deze richtlijn is geïmplementeerd in het Oplosmiddelenbesluit, waarin normen zijn opgenomen om de uitstoot van vluchtige organische stoffen tegen te gaan. Op 10 september 2015 heeft het Hof de prejudiciële vragen beantwoord.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) heeft op 12 februari 2014 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg (“Hof”) gesteld in het kader van de richtlijn vluchtige stoffen (1999/13/EG). Deze richtlijn is geïmplementeerd in het Oplosmiddelenbesluit, waarin normen zijn opgenomen om de uitstoot van vluchtige organische stoffen tegen te gaan. Op 10 september 2015 heeft het Hof de prejudiciële vragen beantwoord.

 

De onderliggende zaak draaide om het volgende. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland (“GS”) heeft een dwangsom opgelegd aan een metaalgieterij in Doetinchem, omdat de metaalgieterij volgens GS niet voldeed aan het Oplosmiddelenbesluit. Ingevolge artikel 5 lid 2 van het Oplosmiddelenbesluit moesten bedrijven ervoor zorgen dat zij uiterlijk 31 oktober 2007 aan de emissienormen voldeden of waren aangemeld voor een reductieprogramma. Hoewel de metaalgieterij zich had aangemeld voor het reductieprogramma, voldeed het niet op 31 oktober 2007 aan de vereiste emissienormen.

 

Volgens de metaalgieterij hadden GS echter geen dwangsom mogen opleggen, omdat uit de richtlijn volgt dat een bedrijf extra tijd moet krijgen om zijn reductieprogramma uit te voeren wanneer de zogenoemde vervangingsproducten nog in ontwikkeling zijn. Zij verwijst hiertoe naar de bepaling in bijlage IIB bij het Oplosmiddelenbesluit, die geënt is op bijlage IIB bij de richtlijn:

 

“Het reductieprogramma is bedoeld om de exploitant de mogelijkheid te bieden de emissie op een andere manier in dezelfde mate te beperken als door de toepassing van emissiegrenswaarden zou gebeuren. Daartoe mag de exploitant ieder speciaal voor zijn installatie ontworpen reductieprogramma gebruiken, mits uiteindelijk dezelfde emissiebeperking wordt bereikt.
(…)
i. wanneer de vervangingsproducten met weinig of geen oplosmiddelen nog in ontwikkeling zijn, wordt de exploitant extra tijd gegeven om zijn reductieprogramma uit te voeren;”


Volgens de Afdeling maakt deze bepaling niet duidelijk of de 'extra tijd'-bepaling alleen geldt voor bedrijven die een speciaal reductieprogramma uitvoeren, of dat bedrijven die het standaardreductieprogramma uitvoeren ook gebruik kunnen maken van deze regeling. Zij legt die bepaling ter interpretatie voor aan het Hof. Daarnaast heeft de Afdeling de vraag voorgelegd op welke wijze de extra tijd kan worden verkregen: wordt deze verkregen op basis van toestemming van GS of is deze van rechtswege gegeven? Daarbij is ook de vraag gesteld wat de lengte moet zijn van de extra gegeven tijd.

 

Het Hof overweegt ten aanzien van de eerste vraag dat gelet op de bewoordingen van bijlage IIB,  onder meer het rechtszekerheidsbeginsel zich er tegen verzet dat de metaalgieterij in dit geval geen extra tijd zou kunnen krijgen. Uit de bewoordingen van de bijlage blijkt immers niet dat deze extra tijd alleen is voorbehouden voor speciale reductieprogramma’s.

 

In meer algemenere zin is van belang hoe het Hof met de tweede vraag omgaat. Daartoe overweegt het Hof dat uit de bewoordingen van bijlage IIB blijkt dat de exploitant de extra tijd moet “krijgen”. Volgens het Hof impliceert dit dat dergelijke extra tijd niet van rechtswege wordt verkregen en noodzakelijkerwijs moet voortkomen uit een besluit van de bevoegde autoriteiten op verzoek van het bedrijf. In zoverre maakt dit antwoord duidelijk dat voor het verkrijgen van extra tijd, toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is.

 

Tot slot gaat het Hof in op de vraag wat de lengte moet zijn van de extra gegeven tijd. Het Hof overweegt hierover dat de lengte van de extra tijd niet mag uitgaan boven hetgeen noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de vervangingsproducten. Dit moet worden beoordeeld in het licht van alle relevante gegevens, waar belangrijke aspecten volgens het Hof zijn:

 

  • de omvang van de door de extra tijd teweeggebrachte extra emissie;
  • de kosten van eventuele alternatieve maatregelen in verhouding tot de omvang van de emissiebeperkingen die mogelijk worden gemaakt door de in ontwikkeling zijnde vervangingsproducten; en
  • de kosten van die producten.

 

De Afdeling zal de behandeling van de zaak nu weer voortzetten. Gelet op de antwoorden die door het Hof gegeven zijn, zal dan ter discussie staan of de metaalgieterij GS expliciet heeft gevraagd om extra tijd om te voldoen aan zijn reductieprogramma.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

AfbeeldingNysingh advocaten-notarissen

 

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35 

www.nysingh.nl

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding