of 59236 LinkedIn

Update (aanwijzing locaties) ondergrondse afvalcontainers

AfbeeldingDoor middel van deze blog breng ik de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2061) onder uw aandacht. In deze uitspraak komt in de eerste plaats het onderscheid tussen een algemeen verbindend voorschrift en een concretiserend besluit van algemene strekking in het kader van de Afvalstoffenverordening aan de orde. In de tweede plaats wordt ingegaan op de vraag of het bestuursorgaan gehouden is om ten behoeve van de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers de locaties daarvan bij besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan te wijzen. Deze uitspraak behandelt niet alleen een zeer specifiek onderwerp, te weten de op de Wet milieubeheer gebaseerde Afvalstoffenverordening, maar bevat ook enkele interessante algemene bestuursrechtelijke vraagstukken. Hierop ga ik in deze blog nader in.

Rechtsvragen

De gemeenteraad van de gemeente Hengelo heeft (op grond van artikel 10.23 van de Wet milieubeheer) een Afvalstoffenverordening vastgesteld. Zoals ik ook in mijn blog van 14 juni 2017 schreef, bevat de Afvalstoffenverordening regels omtrent het inzamelen en het ter inzameling aanbieden van (huishoudelijke) afvalstoffen.

 

In artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening is bepaald dat burgemeester en wethouders kunnen aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Kort gezegd, kunnen burgemeester en wethouders op grond van dit artikel (bij voorbeeld) bepalen dat (in een bepaald gedeelte van de gemeente) het huishoudelijk restafval wordt ingezameld met behulp van ondergrondse afvalcontainers. Van deze bevoegdheid hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo in het Uitvoeringsbesluit gebruik gemaakt. In de gemeente Hengelo wordt overgestapt van het inzamelen van huishoudelijk restafval met behulp van minicontainers naar inzameling via ondergrondse restafvalcontainers. Door middel van feitelijk handelen worden vervolgens de containers op de concrete locaties geplaatst.

De Voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de volgende vragen:

 

  1. Is (artikel 4 van) het Uitvoeringsbesluit een algemeen verbindend voorschrift dan wel een concretiserend besluit van algemene strekking?
  2. Zijn burgemeester en wethouders gehouden de concrete locaties van de containers aan te wijzen bij besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: "de Awb")?

 

Burgemeester en wethouders menen dat het Uitvoeringsbesluit een concretiserend besluit van algemene strekking is, zodat hiertegen bezwaar en beroep openstaat. Het plaatsen van de containers op de concrete locaties betreft in de optiek van burgemeester en wethouders uitsluitend feitelijk handelen waarvoor geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb vereist zou zijn (zie hierover ook mijn blog van 14 juni 2017). De Voorzieningenrechter oordeelt over beide punten anders.

 

Algemeen verbindend voorschrift of concretiserend besluit van algemene strekking?

Ten aanzien van de eerste vraag roep ik kort het onderscheid tussen een algemeen verbindend voorschrift en een concretiserend besluit van algemene strekking en de gevolgen daarvan voor de mogelijkheid tot het aanwenden van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen in herinnering.

 

Een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift is een van het bestuursorgaan afkomstige naar buiten werkende regel, die algemeen is naar plaats, tijd en persoon, voor herhaalde toepassing vatbaar is, een zelfstandige normstelling bevat, de geadresseerde burgers bindt en die is vastgesteld krachtens een daartoe strekkende bevoegdheid (zie L.J.A. Damen e.a., Bestuursrecht, deel 1, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2016). Algemeen verbindende voorschriften vindt men op gemeenteniveau bij voorbeeld in de Algemene Plaatselijke Verordening. Te denken valt aan een verbod een standplaats in te nemen behoudens op de door de burgemeester aangewezen plaatsen en tijden.

 

Een concretiserend besluit van algemene strekking bepaalt doorgaans de werkingssfeer van (bestaande) algemeen verbindende voorschriften naar tijd, plaats of object (zie L.J.A. Damen e.a., Bestuursrecht, deel 1, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2016). Te denken valt aan een besluit van de burgemeester tot vaststelling van plaatsen en tijden waar binnen de gemeente een standplaats mag worden ingenomen. Dit besluit bepaalt de werkingssfeer van het hiervoor genoemde algemeen verbindend voorschrift, inhoudende het verbod uit de Algemene Plaatselijke Verordening tot het innemen van een standplaats.

 

Op grond van artikel 8:3, eerste lid en onder a, van de Awb staat tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep bij de bestuursrechter open. Dit betekent dat men zich tot de civiele rechter moet wenden om de onrechtmatigheid van dit voorschrift aan de kaak te stellen. Ook is het mogelijk de onrechtmatigheid van het algemeen verbindend voorschrift in het kader van een op dat algemeen verbindend voorschrift gebaseerd appellabel besluit aan de orde te stellen (exceptieve toetsing). Tegen een concretiserend besluit van algemene strekking staat wel bezwaar en beroep open (zie ter illustratie: AbRS 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2435).

 

Terug naar de uitspraak. In de Afvalstoffenverordening is – kort gezegd – bepaald dat burgemeester en wethouders kunnen aanwijzen via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen plaatsvindt. In het Uitvoeringsbesluit hebben burgemeester en wethouders bepaald dat de ondergrondse container de inzamelvoorziening voor huishoudelijk restafval is. De Voorzieningenrechter oordeelt in de uitspraak als volgt:

"De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van het college dat artikel 4, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit een concretiserend besluit van algemene strekking inhoudt, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Artikel 4, onder b, regelt voor de gehele gemeente Hengelo dat de verzamelcontainer (zijnde een inpandige voorziening of (semi)ondergrondse container) de inzamelvoorziening voor huishoudelijk restafval en GFT-afval is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gaat het om een algemeen verbindend voorschrift. Ditzelfde geldt voor artikel 4, onder a, waar is geregeld dat wat laagbouwwoningen betreft nog tot uiterlijk 1 januari 2018 gebruik wordt gemaakt van minicontainers voor de inzameling van huishoudelijk restafval. Tegen algemeen verbindende voorschriften staat ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep open en derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, evenmin bezwaar.".

 

De Voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit een algemeen verbindend voorschrift is. Het is jammer dat de Voorzieningenrechter dit oordeel niet uitgebreid(er) motiveert. Mijns inziens houdt artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit inderdaad een algemeen verbindend voorschrift en geen concretiserend besluit van algemene strekking in, omdat het niet de werkingssfeer van artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening bepaalt.

 

Bestuursorgaan gehouden locaties te wijzen?

Ten aanzien van de tweede vraag overweegt de Voorzieningenrechter (ten overvloede) dat burgemeester en wethouders wel degelijk gehouden zijn om de concrete locaties voor plaatsing van de ondergrondse afvalcontainers bij besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb aan te wijzen. Burgemeester en wethouders kunnen niet (op grond van het Uitvoeringsbesluit) volstaan met de algemene aanwijzing van ondergrondse afvalcontainers als het soort inzamelmiddel, maar zijn ook gehouden de concrete locaties waar deze worden geplaatst aan te wijzen. Omdat met dat concrete besluit wordt bepaald waar men huishoudelijke afvalstoffen mag en moet aanbieden, en – zo lees ik, daarmee sprake is van (beoogd) rechtsgevolg – is sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In mijn eerdere blog vond ik voor dit oordeel, evenals de Voorzieningenrechter in deze uitspraak, steun in de uitspraken van de Afdeling van 7 oktober 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ9485) en 23 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:791).

 

Tot slot

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem gerust contact met mij op.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

AfbeeldingHekkelman advocaten en notarissen

Prins Bernhardstraat 1,

6521 AA Nijmegen

Postbus 1094,

6501 BB Nijmegen

T: 024 382 83 84

F: 024 360 04 50

www.hekkelman.nl

binnenlandsbestuur@hekkelman.nl

Meer nieuws

Bloggers

Nieuw: Vastgoed nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van ontwikkelingen op het gebied van vastgoed?

 

Meld u dan hier aan.

Whitepapers

Publicaties

Agenda seminars

AfbeeldingHekkelman Advocaten & Notarissen houdt u op de hoogte van actuele ontwikkelingen. Zo organiseren wij regelmatig seminars om deze ontwikkelingen en onze kennis met u te delen.

 

Klik hier voor onze seminaragenda.

Bekijk ook onze partnerpagina op Bestuur en Organisatie

Klik hier