of 58959 LinkedIn

Terugkomen van een tussenuitspraak

Reageer

10 februari 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) een bijzondere uitspraak gedaan (ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:298) waarbij zij is teruggekomen van een tussenuitspraak van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:353). Aan de orde is een geschil over de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan “Tramlijn Vlaanderen – Maastricht”. In de genoemde tussenuitspraak had de Afdeling hierover een eindbeslissing genomen: “De voor de aanleg van de TVM gesloten kaderovereenkomst, waarbij de gemeente Maastricht partij is, is zodanig opgesteld dat de totale exploitatiekosten gedekt zijn. De raad heeft aangegeven dat de kosten voor de maatregelen die eventueel nodig zijn om overlast door trillingen en geluid te reduceren kunnen worden gedragen. Hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.” In de uitspraak van 10 februari 2016 komt de Afdeling terug van dit oordeel, vanwege een na de tussenuitspraak bekend geworden onderzoek.

Essentie

De Afdeling kan behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel (r.o. 2.2). Van een zeer uitzonderlijk geval is in dit verband sprake indien tot de conclusie moet worden gekomen, dat indien de Afdeling wel van de juiste feitelijke grondslag zou zijn uitgegaan, dat tot een ander oordeel over dit aspect van het bestreden besluit zou hebben geleid. In het licht van hetgeen na de tussenuitspraak naar voren is gebracht moet worden bezien of de raad zich bij zijn standpunt dat het plan binnen de planperiode uitvoerbaar is heeft mogen baseren op de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken (r.o. 2.3). De Afdeling ziet aanleiding om terug te komen van haar oordeel over de uitvoerbaarheid in de tussenuitspraak (r.o. 2.9).

 

Nader bekeken

De reden waarom de Afdeling aanleiding ziet om terug te komen van haar tussenuitspraak hangt samen met een na de tussenuitspraak bekend geworden Review. Deze Review was ten tijde van de tussenuitspraak wel al in concept gereed, maar op dat moment alleen vertrouwelijk gerapporteerd aan het college van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders. Bij de zitting die voorafging aan de uitspraak van 10 februari 2016 was de Review wel bekend. Uit de Review bleek dat sprake was van technische problemen met verstrekkende gevolgen voor de realisatie van het beoogde tramproject. Het tracé zou niet te realiseren zijn binnen het beschikbare budget. De Afdeling ziet aanleiding om te onderzoeken of sprake is van een zeer uitzonderlijk geval dat het terugkomen op het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over de uitvoerbaarheid rechtvaardigt. Daartoe onderzoekt de Afdeling of zij, indien zij wel van de juiste feitelijke grondslag zou zijn uitgegaan, tot een ander oordeel was gekomen over de vraag of het plan binnen de planperiode uitvoerbaar zou zijn.

 

Allereerst stelt de Afdeling in r.o. 2.4 vast dat uit de plantoelichting blijkt dat de totale exploitatiekosten van het project zouden zijn gedekt. Dit is nog eens in een gesloten kaderovereenkomst bekrachtigd.

 

In r.o. 2.5 bespreekt de Afdeling de Review. Hieruit blijkt dat in 2007, 2008, 2011 en 2012 studies zijn gedaan naar de noodzakelijke versterkings- en verkeersaanpassingen van de Wilhelminabrug. De kosten daarvan werden destijds geraamd op twee tot vier miljoen euro, maar gewezen werd op het risico van onnauwkeurigheidsmarges. Voorts blijkt uit de Review dat in 2014 signalen door de projectorganisatie werden afgegeven over problemen op technisch, financieel en planningsvlak met mogelijke gevolgen voor het bestemmingsplan. Dit gaf aanleiding voor nader onderzoek, waarvan de Review de uitkomst was. In november 2014 waren de voorlopige reviewresultaten bekend. Hieruit bleek dat het project niet meer passend was binnen de gestelde beleidskaders, zowel technisch, financieel, planologisch als qua planning. Alleen al aan de Wilhelminabrug bleken er constructieve aanpassingen nodig met een beloop van zes miljoen euro. Andere problemen aan de brug waren alleen geconstateerd, maar nog niet uitgewerkt. Een oplossing hiervoor was nog niet gevonden.

 

In r.o. 2.7 overweegt de Afdeling dat weliswaar deze technische problemen bij de aanleg van de trambaan op zichzelf niet ter beoordeling staan, maar dat dit niet wegneemt dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen als hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat technische problemen aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zouden staan. Dit is volgens de Afdeling het geval. In r.o. 2.9. overweegt de Afdeling daartoe als volgt:

 

“Gelet op hetgeen onder 2.5 is overwogen kan niet worden staande gehouden dat de gerezen problemen van technische aard van beperkte omvang zijn. Er is nog geen zicht op een oplossing van de problemen bij de Wilhelminabrug. Het voorgenomen tracé via de Wilhelminabrug kan niet binnen het beschikbare budget worden gerealiseerd. In verband daarmee is de planning niet haalbaar. Uit de stukken blijkt dat reeds in 2007 op risico’s is gewezen op en rond de Wilhelminabrug. De raad heeft blijkens het projectbesluit eind 2012 onder ogen gezien dat aan de realisatie van het project risico’s kleven en dat deze gemonitord moeten worden. Bij de voorbereiding van het plan is niet voldoende acht geslagen op de zwaarwegende technische problemen die in het kader van de Review naar voren zijn gekomen. De Afdeling gaat er gelet op de beschikbare stukken vanuit dat deze in de kern al ruim voor de eerste vaststelling van het plan bij besluit van 18 februari 2014 - en dus ook voor de gewijzigde vaststelling van 12 mei 2015 - bij de gemeente bekend waren of hadden kunnen zijn. Naar het oordeel van de Afdeling schiet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen het aan het plan ten grondslag gelegde onderzoek tekort om als grondslag te dienen voor het standpunt van de raad dat hij op voorhand in redelijkheid ervan uit kon gaan dat het plan binnen de planperiode uitvoerbaar is. De raad heeft in zoverre onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de voorbereiding van het plan. De conclusie is derhalve, dat de Afdeling aanleiding ziet om terug te komen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over de uitvoerbaarheid van het plan.”

 

De Afdeling ziet geen aanleiding om de raad op te dragen de vastgestelde gebreken via een bestuurlijke lus te herstellen (r.o. 4). Het bestemmingsplan wordt vernietigd.

De uitspraak laat zien dat de Afdeling bij de beoordeling of sprake is van een “zeer uitzonderlijke geval” waardoor kan worden teruggekomen van een tussenuitspraak, in feite hetzelfde toetsingskader hanteert dat in artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) is vastgelegd voor de herziening van (eind)uitspraken.

 

AfbeeldingVoor vragen en/of opmerkingen naar aanleiding van deze nieuwsbrief kunt u zich wenden tot: Franc Pommer

 

f.pommer@hekkelman.nl

024 – 3 828 389

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

AfbeeldingHekkelman Advocaten & Notarissen

Prins Bernhardstraat 1,

6521 AA Nijmegen

Postbus 1094,

6501 BB Nijmegen

T: 024 382 83 84

F: 024 360 04 50

www.hekkelman.nl

binnenlandsbestuur@hekkelman.nl

Meer nieuws

Blijf op de hoogte!

Volg de actuele ontwikkelingen via onze blogs

Agrarische zaken.

Bloggers

Nieuw: Vastgoed nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van ontwikkelingen op het gebied van vastgoed?

 

Meld u dan hier aan.

Whitepapers

Agenda seminars

AfbeeldingHekkelman Advocaten & Notarissen houdt u op de hoogte van actuele ontwikkelingen. Zo organiseren wij regelmatig seminars om deze ontwikkelingen en onze kennis met u te delen.

 

Klik hier voor onze seminaragenda.

Publicaties