of 59250 LinkedIn

Hoge Raad hakt knoop door over legessanctie, Tweede Kamer nu aan zet

AfbeeldingDe Hoge Raad heeft op 17 november 2017 een belangrijk arrest gewezen over de legessanctie (artikel 3.1 lid 4 van de Wro). De legessanctie komt er in de kern op neer dat (de heffingsambtenaar van) een gemeente geen leges mag 'invorderen' voor de beoordeling van bouwaanvragen en/of omgevingsvergunningen voor planologisch strijdig gebruik indien het bestemmingsplan (waaraan getoetst moet worden) ouder is dan 10 jaar (en niet tijdig door de raad een verlengingsbesluit is genomen). In de praktijk ontstond, kort samengevat, discussie over de vraag over de uitleg van het in artikel 3.1 lid 4 van de Wro gebezigde begrip 'invordering'. Moet dit begrip zo worden uitgelegd dat (de heffingsambtenaar van) een gemeente wel leges mag heffen, maar niet mag invorderen? Het antwoord op deze vraag is voor de praktijk van groot belang.

De Hoge Raad volgt in zijn arrest van 17 november 2017 de uitleg van het Gerechtshof en oordeelt, kort samengevat, dat de legessanctie bij bestemmingsplannen ouder dan tien jaar met zich meebrengt dat niet alleen de bevoegdheid tot het invorderen van de leges vervalt, maar ook de bevoegdheid tot het, aan de invordering voorafgaande, heffen daarvan. Kortom, 'heffen=invorderen'. Dit betekent dat artikel 3.1 lid 4 van de Wro ruim moet worden uitgelegd. Na het verstrijken van de tienjaarstermijn kunnen er geen leges worden geheven/ingevorderd door de (heffingsambtenaar van) de gemeente voor de 'verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan'.

 

Dat brengt mij vervolgens bij het tweede punt, namelijk de vraag wat verstaan moet worden onder de 'verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan'. Strekt de legessanctie zich ook uit over omgevingsvergunningen voor planologisch strijdig gebruik waarin afgeweken wordt van het bestemmingsplan? De Hoge Raad beantwoordt deze vraag met een volmondig 'ja':

 

"Anders dan het College betoogt, ziet de legessanctie niet uitsluitend op het in behandeling nemen van aanvragen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten in overeenstemming met het desbetreffende bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, letter a, b en f, van de Wabo. Ook aanvragen als de onderhavige, waarin verzocht wordt om een op grond van artikel 2.1, lid 1, letter c, van de Wabo benodigde vergunning voor activiteiten die in strijd zijn met dat bestemmingsplan (de zogenoemde buitenplanse afwijking), houden verband met dat bestemmingsplan in de zin van artikel 3.1, lid 4, van de Wro. Het voor de toepasselijkheid van de legessanctie vereiste verband is gelegen in de omstandigheid dat de noodzaak om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, letter c, van de Wabo aan te vragen, voortvloeit uit de inhoud van het (te oude) bestemmingsplan. In zoverre falen de klachten daarom eveneens.".


In cassatie werd ook nog gesteld dat het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning diverse diensten meebrengt die voor een deel geen verband houden met het bestemmingsplan. Daarom zou de legessanctie niet van toepassing zijn. De Hoge Raad gaat hier aan voorbij. De onderhavige leges werden geheven ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning. Het in behandeling nemen van zo'n aanvraag moet worden aangemerkt als één door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte dienst die verband houdt met het bestemmingsplan. De omstandigheid dat het gemeentebestuur in het kader van de verdere behandeling van de aanvraag werkzaamheden van verschillende aard moet verrichten en verschillende toetsingskaders moet hanteren, acht de Hoge Raad niet van belang.

 

Kortom, bovenstaand arrest kan nogal wat (financiële) gevolgen hebben voor gemeenten als gevolg van het mislopen van inkomsten uit leges.

 

Gelet op het arrest van de Hoge Raad verwacht ik dat de Tweede Kamer – nu we weer sinds kort een nieuw kabinet hebben – het wetsvoorstel 'Wijziging van de Wet ruimtelijke ordening en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (afschaffing actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen)' (Kamerstukken II, 2016/17, 34 666, nr. 1-3) weer rap op de kameragenda zal zetten. Immers, dit wetsvoorstel (dat verband houdt met de Omgevingswet) voorziet in de afschaffing van de actualiseringsplicht voor bestemmingsplannen en tevens in de afschaffing van de legessanctie. Ik schreef daar eerder met collega Lam in het Tijdschrift voor Bouwrecht (2017/54) het volgende over:

 

"Een tweede punt van aandacht is de legessanctie van artikel 3.1 lid 4 van de Wro. Op 1 november 2016 heeft het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden, kort samengevat, geoordeeld dat geen leges geheven en ingevorderd kunnen worden voor het in behandeling nemen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik in verband met het afwijken van een bestemmingsplan dat ouder is dan tien jaar. Aan deze beslissing heeft Nijmeijer in dit tijdschrift al aandacht besteed. Zodra het wetsvoorstel kracht van wet krijgt, vervalt de legessanctie. Het wetsvoorstel bevat geen overgangsrecht en zou daarmee direct van toepassing worden. Dat betekent niet dat de legessanctie – voor leges waarvoor onder het geldende recht geen heffingsgrondslag aanwezig was – met terugwerkende kracht vervalt en er dus alsnog leges geheven mogen worden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad leiden wij af dat voor terugwerkende kracht een wettelijke grondslag vereist is. Die ontbreekt in het wetsvoorstel met als gevolg dat de legessanctie alleen vervalt voor legesbeschikkingen die na inwerkingtreding van de Wet worden genomen. Wij vinden dat de wetgever op dit punt in een duidelijke overgangsregeling moet voorzien. Wij kunnen namelijk niet uitsluiten dat zich in de praktijk bijvoorbeeld de vraag zal voordoen of gemeenten voor omgevingsvergunningen die vóór inwerking van de Wet zijn aangevraagd dan wel verleend en waarvoor nu geen leges geheven kunnen worden, de legesheffing kunnen uitstellen tot na de inwerkingtreding van de Wet. Om de hiervoor genoemde redenen is het voor de praktijk van groot belang dat de wetgever duidelijkheid verschaft over de hiervoor aangestipte vragen.".

 

Om onverklaarbare redenen ligt bovenstaand wetsvoorstel dat, naar zijn aard en strekking, relatief eenvoudig is al veel te lang bij de Tweede Kamer. Mogelijk dat het ministerie het arrest van de Hoge Raad heeft willen afwachten alvorens het wetsvoorstel verder te behandelen. Nu de Hoge Raad duidelijkheid heeft gegeven, is er werk aan de winkel voor de Tweede Kamer en het nieuwe kabinet.

Heeft u naar aanleiding van dit blog vragen, dan kunt u contact met mij opnemen of 06 - 13 73 69 52). 

 

Wanneer u geïnteresseerd bent in meer van mijn publicaties en blogs, lees dan verder.
Wilt u zich abonneren op mijn blogs? Vul dan uw gegevens in en u ontvangt een melding wanneer een nieuwe blog verschijnt.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

AfbeeldingHekkelman advocaten en notarissen

Prins Bernhardstraat 1,

6521 AA Nijmegen

Postbus 1094,

6501 BB Nijmegen

T: 024 382 83 84

F: 024 360 04 50

www.hekkelman.nl

binnenlandsbestuur@hekkelman.nl

Meer nieuws

Bloggers

Nieuw: Vastgoed nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van ontwikkelingen op het gebied van vastgoed?

 

Meld u dan hier aan.

Whitepapers

Publicaties

Agenda seminars

AfbeeldingHekkelman Advocaten & Notarissen houdt u op de hoogte van actuele ontwikkelingen. Zo organiseren wij regelmatig seminars om deze ontwikkelingen en onze kennis met u te delen.

 

Klik hier voor onze seminaragenda.

Bekijk ook onze partnerpagina op Bestuur en Organisatie

Klik hier