of 59180 LinkedIn

Beekdalen beter doorgronden

AfbeeldingZomer 2016. In het dal van de benedenloop van de Drentsche Aa in Noord-Drenthe ligt een prachtig overgangsveen, de Kappersbult. Een zeldzaam type veen dat ontstaat uit een combinatie van diep opwellend grondwater en periodieke overstromingen vanuit de beek. Diep grondwater komt echter in de Kappersbult nauwelijks meer aan de oppervlakte. De bijzondere vegetatie met (nu nog massaal) moeraskartelblad en Noordse zegge verdroogt en verzuurt. De instandhouding staat daardoor onder druk.

Dat komt, dacht men, doordat de naastgelegen diepe polder water aan het gebied onttrekt. Het Natura 2000-beheerplan voor het Drentsche Aa-gebied stelt dan ook voor om te onderzoeken of in die polder een hoogwaterbuffer kan worden aangelegd. Volgens de bestuurders van de Provincie Drenthe en het Ministerie van Economische Zaken (waar ‘Natuur’ onder valt) is dat echter niet mogelijk. Die polder valt buiten de aankoopregelingen en de polderboeren hebben er geen zin in. De bestuurders bedenken daarom een set alternatieve herstelmaatregelen. Het overgangsveen dient met een aantal tijdelijke maatregelen zo lang mogelijk in de benen te worden gehouden. In de tussentijd moet worden geprobeerd om op twee andere plaatsen nieuw overgangsveen te ontwikkelen. 

Aan ons werd de vraag gesteld om de alternatieve herstelmaatregelen ecologisch te toetsen. Daarvoor organiseerden wij een veldbezoek met gebiedsdeskundigen (die zijn in het Drentsche Aa-gebied gelukkig ruim voorhanden). Ook rangschikten we alle reeds bekende informatie over grond- en oppervlaktewater en vegetatie tot een landschapsecologische systeemanalyse, een zogenoemde LESA. Wat bleek: de polder heeft maar een beperkte invloed op het overgangsveen. Veel belangrijker is het effect van de drinkwaterwinning even verderop. Dat werpt dus een totaal ander licht op het probleem. De bestuurders kunnen zich een duur en moeizaam onteigeningsproces besparen. Onze aanbeveling is om het bestaande convenant met de drinkwaterbedrijven te evalueren en daar zo nodig consequenties aan te verbinden. Dat convenant was immers ooit bedoeld om natuurschade door drinkwaterwinning te voorkomen. Verder konden we vaststellen dat de twee alternatieve locaties op hydrologische gronden ongeschikt zijn voor nieuw overgangsveen. Wel konden we twee andere gebieden aanwijzen die waarschijnlijk met een aantal eenvoudige beheermaatregelen tot overgangsveen kunnen worden ontwikkeld. 

De hierboven genoemde LESA-methodiek is niet nieuw, maar was tot nog toe nauwelijks uitgewerkt voor de aspecten grond- en oppervlaktewater in relatie tot natuurherstel. Dat laatste hebben we nu vastgelegd in een handboek voor beken en beekdallandschappen  in opdracht van het kennisinstituut van de waterschappen, STOWA, en het natuurkennisplatform OBN. De methodiek is gedetailleerd beschreven voor situaties als beekherstel, herstel van verdroogde natuur op de flanken en voor inundatie en waterberging in het beekdal. Collega Daan Besselink en ikzelf hanteerden de pen. De experts André Jansen (Unie van Bosgroepen), Bart Reeze (eigen bureau) en Harmen van de Werfhorst (Arcadis) fungeerden als kwaliteitsbewakers. STOWA en OBN zorgden voor een uitgebreide begeleidingscommissie uit de hoek van de waterschappen, de natuurorganisaties en de provincies.

Het voordeel van een LESA-achtige benadering is dat je een beter zicht krijgt op wat de sturende hydrologische processen in het beekdal zijn. Anders gezegd: een LESA leert je aan welke knoppen je effectief kunt draaien om natuurherstel te bereiken. In een goede ecohydrologische analyse komen belangrijke thema’s samen, zoals oppervlaktewater, grondwater, hoogteverschillen, ecologische indicatoren en waterkwaliteit. Hoe je die moet interpreteren wordt allemaal in het handboek besproken, evenals de wat minder toegankelijke thema’s als geomorfologie en beekmorfologie. Per thema leggen we uit welke vragen je aan jezelf moet stellen om een helder beeld te krijgen. Bij het thema ‘samenstelling grondwater’ zijn de vragen bijvoorbeeld: “Kun je op grond van de chemische samenstelling uitsluiten dat het basenrijke water wordt afgedekt door een (ongewenste) zure regenwaterlens?” of “Zitten er in het grondwater stoffen die wijzen op meststoffen vanuit naburige landbouwpercelen?”. Vervolgens leggen we uit hoe je aan de informatie komt waarmee je deze vragen kunt beantwoorden en hoe je die informatie moet ‘lezen’. Ten slotte helpen we de lezer hoe je de verschillende informatie samensmeedt tot een integrale hypothese over de belangrijkste ecohydrologische variabelen in het beekdal, de ‘draaiknoppen’ voor succes of falen van jouw natuurproject.

Door hierover een handboek te schrijven hopen wij vooral de jonge en minder ervaren ecologen en hydrologen op het goede analytische spoor te krijgen. De LESA leidt naar wij hopen ook tot beter onderbouwde en meer succesvolle natuurprojecten. Een goede analyse hoeft niet per definitie duur te zijn of veel tijd te kosten. Het gaat erom dat je jezelf de juiste vragen stelt. Het handboek helpt daarbij door suggesties te doen voor eenvoudige en goedkope methoden in het veld en achter het bureau. De inzet van een hydrologisch model kan daarbij een nuttige aanvulling zijn, maar is geen doel op zichzelf. Met kijken, voelen, hier en daar een grondmonster of een pH-papiertje, interpreteren, combineren en analyseren kom je al heel ver!

Het Handboek Ecohydrologische systeemanalyse beekdallandschappen is binnenkort te bestellen bij de STOWA.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

AfbeeldingArcadis Nederland BV

Piet Mondriaanlaan 26

3812 GV Amersfoort

Postbus 220

3800 AE Amersfoort

 

Tel +31 88 4261261

E-mail info@arcadis.nl

www.arcadis.com/nl/nederland

Meer nieuws

AGENDA

Bloggers

Whitepapers