of 59236 LinkedIn

Wind als constante inkomstenbron dorp

In 2020 moeten windmolens op land eenvijfde van de elektriciteit leveren. De daarvoor benodigde 2.000 enorme molens komen er zelden zonder slag of stoot. Omwonenden vrezen waardedaling van hun huizen, geluidshinder en slagschaduw; natuurorganisaties zien verrommeling van het landschap. De oplossing? ‘Zet belanghebbenden aan de tekentafel.’

In 2020 moeten windmolens op land eenvijfde van de elektriciteit leveren. De daarvoor benodigde 2.000 enorme molens komen er zelden zonder slag of stoot. Omwonenden vrezen waardedaling van hun huizen, geluidshinder en slagschaduw; natuurorganisaties zien verrommeling van het landschap. De oplossing? ‘Zet belanghebbenden aan de tekentafel.’

Windmolen ‘van onderop’ succesnummer

De lokale partij BurgerBelangen Moerdijk keerde zich recent tegen plaatsing van windturbines bij een verkeersplein langs de A16 vanwege hinder in de oude kern van Moerdijk. Even noordelijker langs dezelfde snelweg is de gemeente Capelle het niet eens met het plan van de regio Rotterdam om twee windmolens bij de Van Brienenoordbrug te plaatsen. De wijk Fascinatio zou hinder ondervinden van de zogeheten slagschaduw en geluidsoverlast ervaren van de draaiende wieken. Opmerkelijk is dat Capelle in een eigen plan wel een windmolen bij de Van Brienenoordbrug bouwde. Ook Barendrecht protesteert tegen twee windmolens op haar grondgebied.

In het Rijnmondgebied is het vaak hommeles met windmolens. De regio moet voor 2020 namelijk 150 megawatt windenergie leveren, en het Havenbedrijf nog eens 150. Afhankelijk van de grootte van de molen gaat het om een slordige vijftig molens. Lossen de gemeenten in de regio dat niet zelf op, dan zal de provincie Zuid-Holland het wel even doen.

Ook in de erkende ‘windprovincie’ Noord- Holland gaat het niet van een leien dakje. In de strook langs het Noordzeekanaal liggen de gemeenten Zaanstad, Beverwijk, Velsen en Amsterdam overhoop met de provincie. Die stelt allerlei aanvullende eisen over de afstand van de molens tot woningen. De gemeenten – en overigens ook waterschappen, natuurorganisaties en een tiental bedrijven – zien daardoor allerlei plannen voor windmolens niet doorgaan. De provincie wil bovendien windmolens beter in het landschap inpassen en daarom voor elke nieuwe molen twee oude exemplaren weghalen om zo de verrommeling te verminderen. Amsterdam tekende al eerder, eind 2015, tevergeefs protest aan tegen de weigering van de provincie om de bouw van zes windmolens in het Havengebied toe te staan. Deze zaak loopt nog steeds.

Onder meer in Limburg spelen problemen met het ministerie van Defensie. De draaiende windmolens verstoren de radar, waardoor militaire vliegtuigen in de problemen zouden kunnen komen. In Friesland ontstaat van tijd tot tijd spanning doordat kleine dorpen en gemeenten hechten aan de vestiging van dorpsmolens terwijl de provincie kiest voor grootschalige parken in het IJsselmeer. Ook de koploper van de nationale windambitie, Flevoland, ontmoette protest in Urk. Het windmolenpark bij Urk telt 86 molens, waaronder 38 molens van bijna 200 meter hoog. Het park is goed voor in totaal 429 megawatt en levert genoeg stroom voor 400.000 huishoudens.

Dat is genoeg energie voor Flevoland, Friesland en een flink deel van Groningen bij elkaar. En tegelijk met de bouw worden 55 oude molens weggehaald, meldt de provincie.

Grote ambities
En zo is de lijst met bestuurlijke wrijving tussen bevolking en overheidslagen, en tussen overheden onderling, schier onuitputtelijk. Alles draait om de opgave om vóór eind 2020 een forse inspanning te doen. In dat jaar moeten de windturbines op land maar liefst 6.000 megawatt leveren. Om een idee te krijgen: dat zijn 2000 windmolens van 3 megawatt, elk 150 tot 200 meter hoog. Eén zo’n molen levert per jaar genoeg stroom voor 1.800 tot 2.200 huishoudens.

Het rijk heeft in overleg met de provincies al begin 2013 een verdeelsleutel gemaakt. Elke provincie is een opgave toebedeeld, tot op de halve megawatt nauwkeurig vastgelegd. Zo moet Flevoland bijna een kwart van de landelijke ambitie vervullen met 1390,5 megawatt, Groningen moet 855,5 leveren en Drenthe 285,5.

De strubbelingen zijn vaak terug te voeren op de tegenstelling tussen bewoners, die voorstander zijn van meerdere parken van lagere molens, en windondernemers (boeren, projectontwikkelaars) die voor geconcentreerde agglomeraties van grotere molens zijn. Voor die laatste optie opteren ook provincies: die denken met grotere parken de ruimtelijke kwaliteit beter te waarborgen. In de jaarlijkse Monitor Wind op Land worden de vorderingen secuur bijgehouden. Wie het gekrakeel in nationale en regionale dagbladen volgt, snapt niet dat de strekking van de Monitor tot nog toe uitwijst dat het best aardig gaat. Meer dan de helft van de molens werkt al, meer dan driekwart doet dat rondom 2020. Misschien lukt het niet om voor alle 6.000 megawatt op 31 december 2020 de wieken te laten draaien, maar binnen een redelijke tijdspanne na de deadline zal het toch lukken, zo is de indruk van veel insiders.

Veel van de commotie wordt veroorzaakt doordat het rijk de landelijke opgave bij de provincies heeft neergelegd. Op hun beurt moeten de provincies weer steun hebben van gemeenten. Om de voor de hand liggende vertraging te voorkomen, heeft het rijk echter al wel bij de oorspronkelijke afspraak van 2013 de bevoegdheid ingebouwd om de provincie te overrulen met de zogeheten rijkscoördinatieregeling. Sowieso heeft het rijk de regie bij windparken die groter zijn dan 100 megawatt. Provincies kunnen weer gemeenten overrulen als die niet afkomen met concrete megawatts op concrete plekken. Deze ouderwetse top-downbenadering is de oorzaak van veel van de problemen.

‘Dat moeten we nooit meer doen’, vindt Tjisse Stelpstra, gedeputeerde (Christen- Unie) ruimtelijke ordening, klimaat en energie in de provincie Drenthe. In de Veenkoloniën werden de gemeenten Borger- Odoorn en Aa en Hunze geconfronteerd met een plan voor 150 megawatt windmolens. ‘Daar zijn na lang schipperen wel vijf windmolens geschrapt, maar de bezwaren liggen nog steeds ter beoordeling bij de Raad van State’, zegt Stelpstra.

Ontwerpen met omwonenden
Drenthe staat in de boeken voor de levering van 285,5 megawatt, grofweg het dubbele van wat de Veenkoloniën moeten leveren. De provincie ziet zelf grote kansen voor maar liefst 95,5 megawatt in de omgeving van Emmen en kan daarvoor haar provinciale bevoegdheid aanwenden. Op erg veel support hoefde Stelpstra niet te rekenen. Emmen had zich onder aanvoering van wethouder René van de Weide (Wakker Emmen, 15 zetels) zelfs tot ‘windmolenvrije gemeente’ gedoopt.

‘Volkomen begrijpelijk dat inwoners zich zorgen maken’, zegt Stelpstra. ‘We nemen geen massieve positie in, maar wijzen er wel op dat Drenthe een opdracht heeft te vervullen. We hebben Emmen de kans gegeven om zelf de regie in handen te nemen, omdat we weten dat een aanpak dicht bij de inwoners op meer draagvlak kan rekenen.’ De gedeputeerde denkt dat Drenthe de opgave rond het jaar 2020 heeft ingelost. ‘Misschien zijn we met sommige projecten een paar maanden te laat, maar daarover moet je niet miepen.’ De provincie en de gemeente begonnen te Emmen een proces ‘van onderop’. Inwoners, vaak georganiseerd in dorpsverenigingen, en natuurorganisaties, gingen aan de slag om zelf locaties te vinden. ‘We hebben een proces doorlopen waar in zeven tot acht gebieden is gekeken naar turbines met een afstand van ongeveer 1.100 meter van de bebouwing’, meldt de gemeente Emmen.

Een van de drijvende krachten achter deze bottom-up-aanpak is Rob Rietveld, directeur van de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW). ‘Wij zijn voorstander van een fatsoenlijke uitvoering van het windprogramma’, zegt Rietveld, die betrokken is bij 25 van dit soort gebiedsplatforms die zoeken naar de beste oplossing voor mens, milieu en luchtvaart. ‘Kijk, enthousiast wordt niemand van een stel windmolens in zijn achtertuin’, constateert Rietveld nuchter.

‘Maar als je mensen serieus meeneemt in een proces, ze hoort en ze zelf overtuigd laat raken dat dit de beste locatie is, dan ontstaat er zeker minder commotie dan nu het geval is. Er is in elk gebied een maximaal opnamevermogen. Ga je daaroverheen en druk je het besluit als overheid door, dan ben je verzekerd van fel protest.’ Bij de discussies werd gebruikgemaakt van een heuse tool waarmee deelnemers zelf windmolenparkjes konden invullen tot de 95,5 megawatt. Ontwerpen met omwonenden, eigenlijk. ‘Aan de tekentafel zagen ze zelf hoe moeilijk het is om de locatiekeuze voor elkaar te krijgen. Ze kregen ook meer inzicht in de natuurwaarden’, aldus Rietveld.

Er zijn op dit moment drie gebieden over, waarover met projectontwikkelaar Raedthuys wordt overlegd. ‘Bewoners hebben recht op een eigen adviseur, die helpt bij het vaststellen van waardevermindering van hun huis – de ‘planschade’ – en de compensatie daarvoor.’

Geld voor de gemeenschap
De financiële consequenties vormen een nogal onderbelicht aspect van de windturbines. En dan niet de negatieve effecten zoals de planschade, maar de positieve kanten. Veel gemeenten onderhandelen met de projectontwikkelaars en boeren over inkomsten uit de opbrengsten nadat een locatie is vastgesteld.

Onlangs ondertekenden de beoogde bouwers van de 100 megawatt aan windmolens langs de A16 – voorafgaand aan vaststelling van de precieze locaties – een convenant met de gemeenten Moerdijk, Drimmelen, Breda, Zundert en de provincie Brabant. Daarin zeggen zij toe dat een kwart van de opbrengst van te bouwen windmolens ten goede komt aan de lokale gemeenschap. Een op de vier molens wordt dus een ‘dorpsmolen’. Lokale coöperaties, individuen of de gemeenten zelf kunnen meedoen aan de financiering van de molen en toucheren de revenuen ervan.

‘Steeds meer gaan idealisme en zakelijkheid samen’, constateert Sible Schöne, directeur van de ngo HIER Klimaatbureau, die veel lokale projecten begeleidt. ‘Veel dorpen beseffen dat ze door mede-exploitatie in windmolens met langdurige contracten over een constante inkomstenbron beschikken waarmee ze het dorpshuis in stand kunnen houden.’ De term ‘dorpsmolens’ is gemunt in Friesland, waar veel dorpen al veel langer dit belang zien. Het draagvlak stijgt navenant.

‘Wind is het succes van de energietransitie in Nederland. De 6.000 megawatt op land is goed voor 20 procent van de huidige elektriciteitsvraag. Op de langere termijn is wind op zee goedkoper en beter geschikt om in 30.000 megawatt of meer te voorzien en ook het autopark en de industrie duurzame elektriciteit te bezorgen’, aldus Schöne. ‘Voorlopig hebben we de windmolens op het land broodnodig om op korte termijn aan duurzame energie te komen. Duurzame energie en inkomsten voor de regio kunnen hand in hand gaan.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.