of 59045 LinkedIn

‘Terugtrekken is niet genoeg’

Nederland kent unieke landschappen en stads­beelden, fraai ingepaste infrastructuur. Maar door de Omgevingswet kunnen we onze planningstraditie kwijtraken, zegt hoogleraar Wouter Vanstiphout. Deze maand komt hij met zijn advies.

Nederland kent unieke landschappen en stads­beelden, fraai ingepaste infrastructuur. Maar door de Omgevingswet kunnen we onze planningstraditie kwijtraken, zegt hoogleraar Wouter Vanstiphout. Deze maand komt hij met zijn advies.

Begrijp hem goed: hij is vóór de aankomende versimpeling van de ruimtelijke regels, met een sterkere rol voor gemeenten en voor de samen­leving. De architectuurhistoricus Wouter Vanstiphout (47) onderschrijft dat de ruimtelijke wetgeving aan herziening toe is. De decentralisatie in de nieuwe Omgevingswet (invoering 2018) acht hij onvermijdelijk.

Tussen zijn vele rollen, met bomvolle agenda, lijkt de ondernemer, hoog­leraar en meervoudig adviseur (zie kader op pagina 23) behendig te laveren. In het Rotterdamse kantoor van Crimson Architectural Historians mag Binnenlands Bestuur gerust even aanschuiven.

‘Er zijn belangrijke ideologische verschuivingen in ons land’, stelt hij. ‘In de afgelopen eeuw streefden we naar een egale spreiding van kennis, inkomen, macht en voorzieningen. Ook de ruimtelijke wetgeving was daarop gebaseerd, tot en met de Vinex-plannen. Maar dat ideaal van gelijkheid ontaardde onbedoeld in genormeerde middelmatigheid. En intussen neemt het contrast, demografisch en economisch, tussen regio’s in dit land toe. Met generiek beleid creëer je dan juist ongelijkheid. Eén liberalisatiegrens voor woningen heeft totaal andere gevolgen voor Amsterdam dan voor Drenthe. Decentralisatie van de besluitvorming is dus onvermijdelijk.’

Tegelijkertijd vraagt de overheid meer zelfwerkzaamheid van alle belanghebbenden. ‘Dat is een regelrechte omdraaiing van onze werkwijze, waarin een sterke overheid het ruimtelijk beleid bepaalde. Het is ook een omdraaiing van het idee van de verzorgingsstaat. Onze beroemde ontwerptraditie hebben we te danken aan de overheid, als opdracht­gever en als planner. En omgekeerd is de vormkwaliteit van Nederlandse steden en landschappen een representatie van het Nederlandse staatsbestel, dat berustte op zorgvuldige planning en besluitvorming in gezamenlijkheid.’

In navolging van andere beleids­gebieden gaat de Omgevingswet uit van méér participatie. Dat is niet per se in harmonie met decentralisatie, waarschuwt Vanstiphout. ‘Er zijn veel aannames over, maar de wet wordt daar nu bijna theorieloos op ingericht. De verwachtingen omtrent participatie zijn niet uitgewerkt of zelfs maar expliciet in de wet opgeschreven. Deze ideologische revolutie wordt dus bijna slaapwandelend doorgemaakt.’

Nieuwe vaagheid
De impliciete aanname van de Omgevingswet dat belanghebbende partijen elkaar bij ruimtelijke besluiten wel zullen vinden, verontrust Vanstiphout. ‘Efficiëntie in de besluit­vorming staat voorop. Maar kennen de betrokkenen de consequenties bij een snelle besluitvorming voldoende? Komt er onderling beraad over de keuzes die ze hebben? Of creëer je met deze vaagheid juist nieuwe monopolisten?’

Zowel als hoogleraar (‘mijn leerstoel is door het ministerie ingesteld’) als in de praktijk onderzoekt hij deze vragen. Vorig jaar werd hij voorzitter van het Atelier ZZ, dat als onderdeel van de door het kabinet ingestelde Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ordening is opgericht om het nieuwe ruimtelijke ordeningsinstrumentarium vanuit de ontwerpdiscipline te helpen verbeteren.

Toen Vanstiphout de leiding van het ontwerp- en ontwikkelteam van Atelier ZZ overnam, deed een inter­dis­ciplinair team er al onderzoek naar vijf ruimtelijke thema’s, onder meer naar transformatie van leegstaande kantoren, revitalisatie van achterstandswijken en de kansen voor krimpregio’s. Hun conclusies, vorig jaar gepubliceerd, werpen vooral vragen op. Is er in de Omgevingswet ruimte voor ‘adaptieve planning’ (niet alles met één om­gevingsbesluit dichttimmeren). Is er aandacht voor het hogere schaalniveau (landschappen, aansluiting tussen stadsdelen, regio’s)? En moeten juristen en ontwerpers niet eens samen kijken naar de procesconsequenties van de nieuwe wet?

Vanstiphout wil antwoorden op die vragen. Mede daartoe zette hij met Atelier ZZ een tweede reeks inter­disciplinaire onderzoeksprojecten op, naar achtereenvolgens de ruimtelijke besluitvorming over het landschap (afgerond), wonen (gepland voor 2015) en bedrijvigheid (2016).

Sappige weiden
Voor het landschapsproject koos hij het veenweidelandschap van Friesland. ‘Dat is een goede casus. Het gaat om een klassiek open landschap, typerend voor Nederland. Met dat landschap is veel aan de hand. De bodem daalt, de biodiversiteit neemt af, paalrot en verzakking van gebouwen neemt toe en de veeteelt wordt industriëler. Bijna ongemerkt verliest het zijn kenmerken: de sappige weiden met boerderijen, slootjes, koeien en vogels. Terwijl niemand bewust voor die verandering kiest.’

In de toch relatief hechte Friese gemeenschap bleek de sluipende metamorfose zelfs nauwelijks onderwerp van debat, zo ontdekte het ontwikkelteam van ZZ. ‘De ontwikkeling ging gewoon door, met een schijn van onvermijdelijkheid. Dan is er discussie nodig. Partijen die een landschap delen, moeten dat gesprek voeren voordat het te laat is en er geen keuze meer mogelijk is. Wat willen we met dit gebied? Wat is de rol van melkveehouders, wat is het belang van bewoners? Hoe belangrijk is biodiversiteit hier?’

Vanstiphout benadrukt dat belangentegenstellingen nooit zo zwart-wit zijn als ze aanvankelijk lijken. ‘Ook een multinational als Friesland-Campina heeft iets met het beeld van een weiland met koeien. In Azië is het voor de onderneming zelfs een marketinginstrument. Als dat landschap weg is, dan lijdt Campina daar ook schade door.’

Bij zo’n discussie kunnen ruimtelijk ontwerpers een cruciale rol spelen. ‘Ontwerp kan de effecten van een ontwikkeling zichtbaar maken. Je kunt verschillende toekomstscenario’s tonen, desgewenst in 3D. Je kunt dubbel grondgebruik uitwerken in een beeld. Daarmee zorg je dat er iets te kiezen valt.’

Probleematelier
Vanstiphout komt op basis van de landschapscasus met twee aanvullende instrumenten voor de vereiste omgevingsvisies van provincies en rijk. ‘De eerste noem ik het Probleematelier. Hier moeten alle belangenpartijen aan tafel, om de strijdigheid tussen hun belangen visueel weer te geven en dan te ontdekken hóe strijdig ze precies zijn. Wat kan beslist niet alle­twee? En om de kosten en baten van afzonderlijke belangen helder te krijgen. Zo’n Atelier hoort helemaal vooraan in het proces, als je alles nog open kunt gooien. Bestuurders kunnen dan vanuit gepresenteerde feiten en beelden nadenken: wat is een werkbare coalitie, welke hoofdbelangen kunnen we verenigen?’

Later in het besluitvormingsproces komt dan het moment voor wat de hoogleraar het Keuzeatelier noemt. ‘Dat is een middel om concrete ruimtelijke keuzes aan besluitvormers voor te leggen in beelden. Inclusief het beeld hoe het wordt als je alles op zijn beloop laat. Zo’n Keuzeatelier kan het startpunt zijn voor een omgevings­visie. De gemeente­politiek kan ook besluiten om ruimtelijke mogelijk­heden aan de bevolking voor te leggen in een referendum.’

Maakt Vanstiphout met dit type voorstellen geen halve procesbegeleiders van ontwerpers? ‘Nee, het proces blijft de verantwoordelijkheid van de politiek. De ontwerper wordt juist meer een observator met een principieel afstandelijke houding. Hij toont: dit zijn uw keuzes. Hij kan deelnemers aan zo’n atelier ook afhelpen van stereotiepe, vooringenomen beelden. En van de minder effectieve compromissen waar Nederland het patent op heeft: een randje agrarisch natuurbeheer langs de sloot, een bomensingel als camouflage voor een bedrijfspand. Het ontwerp kan onverwachte belangencoalities tevoorschijn halen. Burgers, bedrijven en maatschappelijke partijen moeten daar serieus in worden genomen.’

Bakermat
Kunnen Ateliers, zoals Vanstiphout ze nu voorstelt, wel actieve participatie opwekken? In het voorstadium van ruimtelijk planning zijn mensen vaak moeilijk te mobiliseren. Het gaat over vage projecten die soms nog jaren in ontwikkeling zijn voordat er een heipaal de grond in gaat. De hoogleraar knikt. ‘Het wordt belangrijk wie de regie voert. Die moet zorgen dat ook zwakkere partijen, zoals omwonenden, aan bod komen. Maar verkijk je niet op de traditionele burgerparticipatie. Het Oude Westen hier in Rotterdam is er zo ongeveer de bakermat van. We hebben hier ouderen die al dertig, veertig jaar over alles meepraten, al zijn ze nu misschien niet representatief meer voor de buurt. En ontwerpers kunnen met hun beelden juist een gevoel van urgentie opwekken. Wat ik niet beoog, is wat we nu vaak zien: dat bewoners aan het eind van de rit de kleur van de bakstenen mogen kiezen.’

De Omgevingswet is een kaderwet, benadrukt de hoogleraar. ‘Inhoudelijk bepaalt hij weinig, de normen komen in de AMvB’s. Samen met juristen en planologen komen we tot de conclusie dat je dan meer hebt aan een aanbiedings- en verleidingsstrategie dan aan nóg meer normen. We houden ons ook meer bezig met de geest dan met de letter van de wet.’

Hij acht het positief dat iedereen zich nu over de Omgevingswet buigt. ‘Het concentreert onze aandacht. De wet is geen deus ex machina, maar een middel om anders met ruimtelijke planning om te gaan. Laten we echter niet onderschatten hoe groot de gedragsverandering zal zijn. Mij gaat het erom dat Nederland altijd bewúst voor ruimtelijke ingrepen heeft gekozen. Ik hoop dat we dat behouden.’

En ondanks de decentralisatie kunnen hogere overheden die besluitvorming nog altijd gunstig beïnvloeden, vindt Vanstiphout. ‘Ik verwacht uiteraard dat het rijk in zijn omgevingsvisie vastlegt welke netwerken, gebieden en gebouwen van nationaal belang zijn. Een soort canon dus. Maar daarnaast hoop ik dat het rijk zal opschrijven hoe ze gemeenten wil helpen met de totstandkoming van ruimtelijke keuzes. Het rijk moet de kwaliteit van het proces waarborgen. Want als je gelooft in participatief en lokaal, dan is terugtrekken niet genoeg. Anders wint altijd het recht van de sterkste.’


CV Wouter Vanstiphout
1991 master architectuurgeschiedenis Universiteit Groningen
vanaf 1994 mede-eigenaar Crimson Architectural Historians
2000- 2007 directeur Internationale Bouwtentoonstelling ‘WiMBY!’
2005 gepromoveerd op de relatie tussen architect Van den Broek en Rotterdam
vanaf 2006 lid kwaliteitsteam Haven van Rotterdam
2009-2012 lid welstandscommissie Rotterdam
vanaf 2009 hoogleraar Ontwerp en Politiek TU Delft
vanaf 2010 adviseur New Town Institute in Almere
vanaf 2012 lid Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur
Vanstiphout vervult soms ook curatorfuncties of tijdelijke leeropdrachten in Europa.


Op 28 november presenteert Wouter Vanstiphout zijn advies op de nationale manifestatie Hitte in de Delta, in Amsterdam. Dit evenement is bestemd voor ruimtelijke bestuurders, ambtenaren en ontwikkelaars. Nadere informatie: http://hitteindedelta.architectuurlokaal.nl

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.