of 59236 LinkedIn

Nederland één groot pretpark

Bij mooi weer lijkt de stad soms wel een camping. En het stadspark is meer en meer de plek om een verjaardag te vieren: slingers in de bomen, feestje op het gras. Leuk, maar de kwaliteit van de publieke ruimte staat onder druk.

Nog niet zo heel lang geleden was het onbeschoft om op straat te eten en te drinken. ‘Dat dééd je niet. Dat was a-sociaal,’ zegt Hans Mommaas, hoogleraar vrijetijdswetenschappen aan de universiteit van Tilburg. ‘Op straat moest je je netjes gedragen. De publieke ruimte was functioneel: bedoeld om van A naar B te komen.’

Die tijd is voorbij. De publieke ruimte is verblijfsruimte geworden: het leven speelt zich steeds meer op straat af. Elke zichzelf respecterende stad heeft tegenwoordig een ‘stadsstrand’, in Utrecht liggen er dit jaar zelfs aanvragen voor dríe stranden. De ‘mediterranisering van Nederland’ zoals Mommaas het noemt, heeft stevig doorgezet. Op vakantie in Zuid-Europa zagen we hoe gezellig dat was, een hapje en een drankje op straat. We zitten nu zelfs ’s winters buiten op het terras, onder de warmtestralers.

We gedragen ons de laatste jaren heel anders op straten, pleinen en in parken. Dat heeft volgens Mommaas met verschillende dingen te maken. Bijvoorbeeld met de ‘verdunning’ van het aantal huishoudens. ‘Een groeiend aantal alleenstaanden is voor ‘contact en vertier’ afhankelijk van de publieke ruimte’. Ook van belang: de opkomst van de vrijetijdseconomie door toegenomen mobiliteit en welvaart en de lossere omgangsvormen: ‘De sociale verhoudingen zijn een stuk informeler geworden, er is minder hiërarchie.’

Badkleding

Wat dat in de praktijk betekent is op een zomerse namiddag te zien in Utrecht. De terrassen zitten vol. Bewoners hebben tafels en stoelen naar buiten gesleept en zitten voor hun huis in de zon. Het Wilhelminapark doet aan een camping denken. Zonneschermen, parasollen, mensen liggen in badkleding bij de vijver, gezinnen en studenten picknicken op het gras, de wegwerpbarbecues roken en ruiken, frisbees vliegen over het veld, iedereen heeft eten en drinken meegenomen: het veld staat vol koelboxen, AH-tassen, bakfietsen, kratten en manden. Overal serviesgoed en kleedjes. Een pizzabezorger komt aanscheuren op z’n brommer.

Op mooie avonden is dit een ‘über hang-out’, zegt Anton Verbunt van de Stichting Wilhelminapark. De stichting bestaat voornamelijk uit omwonenden en die zien dat de
populariteit van het park elk jaar groeit. Hartstikke leuk natuurlijk, terecht ook: ‘Maar het wordt tijd om keuzes te maken. Het steeds intensievere gebruik leidt tot schade.’ Het park ziet er ‘s ochtends regelmatig uit als ‘een festivalterrein’, omschrijft Verbunt.

Naast de uitpuilende prullenbakken staan bergen afval. Het gras is bezaaid met achtergelaten troep. De grasmat van het grote veld is aan gort omdat er met noppenschoenen op wordt gevoetbald. De struiken en het gras hebben te lijden van de honderden fietsen die er op mooie dagen in worden ‘geparkeerd’. In de speeltuin liggen ’s ochtends lege flessen, peuken, glasscherven. ‘Zwervers poepen er in de bosjes.’ De wegwerpbarbecues veroorzaken zwarte brandplekken in het gras.

Er moet een integraal plan van aanpak komen voor het park, vinden de omwonenden. ‘Keuzes zijn noodzakelijk: kunstgras op het voetbalveld? Boete op noppenschoenen? Toiletten?’ Ze hebben last van de op dienst georganiseerde structuur van de gemeente Utrecht, zegt Verbunt. ‘Voor parkeren, voor groen, voor de fietspaden; daar gaan allemaal verschillende diensten over. Voor zo’n park moet je een gebiedsregisseur hebben.’

De gemeente kent die wens, maar houdt vast aan de bestaande structuur, zegt wethouder Mirjam de Rijk (GroenLinks): ‘We hebben juist de wijkbureaus om ervoor te zorgen dat mensen niet eindeloos langs verschillende afdelingen van de gemeente hoeven te shoppen.’ Op 30 mei is er een bijeenkomst voor ambtenaren, omwonenden en belangstellenden. Onder de titel: ‘Wilhelminapark: oase van rust of pretpark.’

Groene oase

‘Vondelpark, groene oase van rust: dat was vroeger ons credo’, zegt Muriel Stibbe, voorzitter van de Vereniging Vrienden van het Vondelpark. Ze moet er nu om lachen. ‘In die tijd waren we tegen alles wat de rust verstoorde. Tegen honden, tegen feestjes, tegen blowen in het park. Als omwonenden beschouwden we het park als onze achtertuin.’

Die toch wat elitaire gedachte is allang verlaten, zegt Stibbe. ‘Het Vondelpark is van iedereen. Je mag er trouwen, zoenen, blowen, sporten, de hond uitlaten, een partytent neerzetten: zolang het niet commercieel is, mag er heel veel.’

Maar om dat allemaal in goede banen te leiden, moet er nu wel worden ingegrepen, zeggen zowel de gemeente, als omwonenden. De druk per vierkante meter op dit Amsterdamse stadsgroen is zelfs groter dan in Central Park in New York, vergelijken zowel het stadsdeel als de vrienden graag. Het Vondelpark heeft 12 miljoen bezoekers per jaar, Central Park is in oppervlakte 10 keer zo groot, en heeft op jaarbasis 25 miljoen bezoekers.

‘Dit is de achtertuin van heel veel mensen’, zegt Joep Blaas, wethouder openbare ruimte voor D66 van Stadsdeel Zuid, waar het park onder valt. ‘Als we wat te vieren hebben, dan doen we dat in het park. Het nadeel daarvan is dat er te veel rotzooi achterblijft.’ In 2011 werd er 350.000 kilo afval (55.000 volle vuilniszakken) uit het park gehaald.  Een onvoorstelbare berg ‘want het is voornamelijk plastic. Dat weegt niks.’

En daar valt niet tegenop te schoonmaken, zegt Blaas. In het zomerseizoen (van eind april tot eind september) loopt de reinigingsdienst 7 dagen per week met twaalf man sterk in het park. Na een mooie avond beginnen ze soms ‘s ochtends om half zes al, want het streven is om het park om half tien schoon te hebben. ‘We hebben de afgelopen jaren steeds meer uren ingezet voor de schoonmaak, maar de vervuiling blijft toenemen. Bezoekers vinden het normaal dat de gemeente hun troep opruimt.’

Maar dat gaat veranderen. Het plan van aanpak heet eenvoudigweg ‘Vondelpark Schoon’ en het doel is om het ongewenste gedrag van bezoekers te gaan beïnvloeden. Om dat voor elkaar te krijgen zijn de krachten gebundeld. De gemeente werkt samen met particulieren en private partijen, van de Vereniging Hondenbezitters Vondelpark tot de Albert Heijn aan de Johannes Verhulststraat, de Stay Okay en de organisatie van de Friday Night Skate.

Muriel Stibbe van de Vrienden: ‘Meestal vervullen we de rol van luis in de pels, naar de gemeente toe. Het heeft even tijd gekost voor we ons realiseerden dat er een transformatie nodig was, het gaat om het creëren van betrokkenheid. We moeten de verantwoordelijkheid voor een schone publieke ruimte gaan delen. Dat er nu ook weinig geld is bij de gemeente is natuurlijk een extra drive, maar je moet je ook realiseren dat het zo niet langer kan. Het is een taak van overheid, burgers en allerlei organisaties samen.’

Stibbe: ‘Als Vrienden staan wij op mooie dagen straks afvalzakken uit te delen bij de ingangen van het park. Als gastheren bezoekers te verwelkomen, hen de weg te wijzen. Het Amsterdams Studentencorps heeft een schoonmaakdag geadopteerd: als onderdeel van de introductie gaan zij het park schoonmaken.’

Kabouter

Reclamebureau KesselsKramer bedacht met kunstenaar Parra de ‘Vondelkabouter’: een rode kunststof kabouter die het beeldmerk is van de nieuwe aanpak. Het mannetje staat op de afvalzakken, op verkeersborden in het park en op
stickers. Vondelkabouter is actief op Twitter en Facebook en hij is ‘een vriendelijke gastheer’ die zijn gasten ‘het kleine verzoek’ doet om hun eigen afval mee te nemen of in een container te gooien.

Het moet leiden tot die zo gewenste gedragsverandering, zegt stadsdeelwethouder Blaas. Het moet normaler worden om elkaar aan te spreken als er troep achterblijft. Hij vergelijkt het met de veranderende attitude ten opzichte van roken. ‘Vroeger stak je gewoon een sigaret op als je bij iemand was. Nu is er niemand meer die dat doet. Je vraagt of je ergens mag roken. Dat het niet normaal is om overal te roken zit inmiddels bij iedereen helemaal tussen de oren. En zo moet dat ook gaan met je eigen troep opruimen in het park. Dat gaat járen duren, maar het kan.’

Er zijn inmiddels speciale barbecue-plekken, met speciale vuurvaste afvalcontainers, met knalrode kabouter-stickers. ‘Het moet natuurlijk geen Efteling worden’ haasten alle betrokken zich te zeggen ‘maar die bakken waren in camouflagekleuren. Je moet mensen wel duidelijk maken waar ze hun rotzooi weg kunnen gooien.’

Blaas: ‘Zichtbaar reinigen beïnvloedt het gedrag. We hielden er altijd om vier uur ’s middags mee op, dan was de gemeente weg uit het park. Nu zijn we er ’s avonds ook.’

Moralistisch

De druk neemt toe, ziet ook de Utrechtse wethouder Mirjam de Rijk. ‘Er staan steeds meer en grotere afvalbakken, maar toch wordt het viezer. Eigenaardig: mensen kunnen het allemaal wel vol het park ín dragen, maar leeg meenemen lukt blijkbaar niet.’

Utrecht gaat deze zomer picknickkleedjes uitdelen die achteraf als afvalzak kunnen dienen. De Rijk wil graag openbare toiletten in het park en ze ziet ook wel wat in barbecue-zônes. Maar die zijn er nog niet.

‘De gemeente loopt achter de muziek aan’, vindt Verbunt. ‘Ze reageren in plaats van dat ze anticiperen.’

Volgens De Rijk valt dat wel mee. De reinigingsdienst van Utrecht maakt bijvoorbeeld ‘beeldgestuurd schoon’. ‘Ze mogen zelf bepalen waar ze het hardst nodig zijn.’ Toch constateert de wethouder dat ‘de norm’ eigenlijk ‘net niet’ wordt gehaald. ‘Meer budget is er niet. We moeten kijken of we met andere partijen samen kunnen werken. En mensen op hun gedrag aanspreken.’

Ze was een tijdje geleden bij een ‘picknick-concert’ in Central Park in New York. ‘Dat begon met een speech: dat politie en reinigingsdienst dit allemaal mogelijk maakten en dat wij met z’n allen moesten zorgen dat die mensen achteraf zo min mogelijk werk aan ons zouden hebben. Moralistisch, maar het werkte wél.’

Ook Mommaas ziet dat de publieke ruimte op sommige plaatsen wordt ‘overspoeld’. ‘De overheid verhoudt zich nog niet echt met de publieke ruimte als verblijfsruimte. Een park is om doorheen te wandelen, lijkt nog steeds de opvatting. Dus geen restaurant, geen wc’s.’

Omdat we elkaar nauwelijks meer tot de orde (durven) roepen, komt de overheid vooral met regels. Bordjes met do’s en dont’s: geen honden op het gras, geen muziek, geen alcohol. Hier de surfers, daar de nudisten. ‘Dat gaat redelijk goed. Meestal slaan we elkaar de hersens niet in.’ Mommaas: ‘Het valt hier nog wel mee. In Engeland of de VS zie je als eerste een waslijst aan regels als je het park in loopt, met wat je allemaal niet mag.’

Zacht beheer

De zorg voor de publieke ruimte moet een collectieve zorg zijn, vindt Mommaas ‘of het wordt een vuilnisbelt’. Mommaas: ‘Al die verbodsbordjes is één ding, maar in het buitenland lopen wel beheerders in de parken, die mensen aanspreken op hun gedrag. Ik heb de indruk dat in bijvoorbeeld New York en Londen duidelijker is wat er mag en niet mag en dat er daardoor ook meer rust is. In Engelse parken heb je bijvoorbeeld ligstoelenverhuurders, die hebben er economisch belang bij dat het netjes blijft, dat zijn een soort bemiddelaars, dat zorgt voor regulering.’

Het gebruik van de openbare ruimte is veranderd, je kunt als gemeente niet meer volstaan met het bijplaatsen van prullenbakken, zegt Mommaas. ‘Je moet iets doen met een vorm van zacht beheer. Iets tussen politie en niets doen, in. Zoals het tegenwoordig normaal is om een centrummanager of een straatmanager te hebben, die het collectieve belang in de gaten houdt. Dat moet je voor een park ook ontwikkelen.’

De Vrienden van het Vondelpark kijken graag naar de New Yorkse aanpak, zegt voorzitter Muriel Stibbe. ‘Daar heb je sinds 1980 de CPC, de Central Park Conservancy: een non-profit organisatie die het park, dat eigendom is van de gemeente, beheert. Bijna al het personeel dat in Central Park werkt, is in dienst bij deze CPC. Een continue factor, tijdens wisselende gemeentebesturen.’ Dat besturingsmodel, waarbij publieke, private en particuliere partijen de verantwoordelijkheid samen dragen, ziet zij als de toekomst. De Vondelkabouter is een begin, vinden de Vrienden.

Haar Utrechtse ‘collega’van de stichting Wilhelminapark, Anton Verbunt, denkt ook in die richting: ‘Niemand wil eigenlijk meer regels, niemand wil meer stadswachten. Het gaat om een gedragsverandering. Overheid, burgers en het bedrijfsleven moeten samenwerken om die publieke ruimte die we allemaal zo mooi en belangrijk vinden, ook daadwerkelijk goed te houden.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.