of 58959 LinkedIn

Monumentale speelruimte

Afgedankt: Herindelingen maken veel gemeentehuizen overbodig. Een serie over hun ongewisse lot. Slot van de serie.

Is-ie weer, denkt Frank Strolenberg: de misvatting dat een pand beter af is zonder monumentale status, omdat aan monumenten niets te veranderen zou zijn. De programmaleider herbestemming van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) mag er graag iets tegenoverstellen: ‘Je mag van alles veranderen aan een monument.’

Behoud historische gebouwen door er iets mee te doen

Hij buigt zich licht voorover aan de tafel in het moderne, half opengewerkte RCE-gebouw, dat tegen de ­historische binnenstad van Amersfoort aan is gelegen. Het is een van de weinige keren tijdens het gesprek dat Strolenbergs glimlach plaatsmaakt voor een strenge blik –  voor de gelegenheid gespeeld wellicht, maar niet minder gemeend: ‘Alles kan. Maar het gaat er wel om waarom je iets doet. En hoe.’

De RCE’er reageert desgevraagd op een wethouder van het Zuid-Hollandse Rijswijk waar terugkeer wordt overwogen naar het stadhuis van weleer: een grotesk, met natuursteen bekleed pand dat leegstaat sinds de gemeente er in 2003 uittrok. Zou het rijksmonument zijn, redeneerde de wethouder in de vorige Binnenlands Bestuur in het slotdeel van een serie over voormalige gemeentehuizen, dan zou dat mogelijk ‘te veel beperkingen’ opleggen aan de renovatie.

3D-printers
Strolenberg schudt nee. En komt met voorbeelden. Meelfabriek Leiden: hele buitenkant vervangen door glas. Museum de Fundatie in Zwolle: kon rondom niet uitbreiden, waarop iets op het dak is gezet. ‘Schitterend, ook hoe het gedaan is: in een compleet andere stijl. Het oorspronkelijke monument valt meer op dan ooit.’

Strolenberg zit 25 jaar in het erfgoed, waarvan de eerste zes jaar bij de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) die in 2006 met Rijksdienst voor de Monumentenzorg opging in de RCE. Hij begrijpt best waarom mensen denken dat je weinig tot niets mag veranderen aan een monument. Omdat dat lang zo was. Maar toch al weer een tijdje ligt dat anders; vanaf de nota Belvedère (1999), preciseert de programmaleider. Leidende gedachte: iets behouden lukt vaak beter door er iets mee te doen, want dat ‘ontwikkelen’, niet zelden in samenhang met andere functies, biedt de kans er meer van te maken, iets wat meer aanspreekt ook. Trouwens: waarom alles bij het oude laten? Kastelen, kerken en kloosters zijn vaak ook stukje bij beetje gebouwd. Gingen vervolgens soms (deels) verloren en werden opnieuw – wéér anders – opgetrokken.

En als je eenmaal vindt dat aanpassing kan – steeds: zonder het karakter van een object geweld aan te doen – dan kan dat met hedendaagse technieken en materialen. Want ook dat is van alle tijden. Strolenberg (Kerkrade, 1957) komt met een voorbeeld uit de oostelijke mijnstreek, de omgeving waar hij opgroeide: ‘In Schaesberg willen ze het kasteel, waarvan enkel de ruïne te vinden is, opnieuw optrekken en meteen een extra toren geven: eentje gemaakt van baksels van alle 3D-printers in Nederland. Het is meteen een scholings- en werkgelegenheidsproject is. Kijk, zo breng je erfgoed tot leven, geef je het betekenis in het hier en nu.’

Superjong
Evengoed zitten er tussen de 62.000 rijksmonumenten best objecten, beaamt Strolenberg, die zo uitzonderlijk zijn dat verandering amper voorstelbaar is. Als voorbeelden noemt hij het op de Veluwe gelegen Jachthuis Sint-Hubertus (1920, architect Hendrik Petrus Berlage) en het Paleis op de Dam (1665, Jacob van Campen) in Amsterdam. Gedachte-experimentje: stel Amalia krijgt een tweeling die het koningschap als duobaan wil oppakken. Is het dan voorstelbaar dat – in eenzelfde schaalgrootte – een stalen contour van het paleis tegen het huidige aan worden geplaatst? Droogjes: ‘Dan wel natuurlijk.’ En: ‘Hebben we de discussie over de herinrichting van de Dam ook meteen opgelost.’

Nog een misvatting: een monument moet oud zijn. De RCE hanteert minstens vijftig jaar, om met afstand te kunnen reflecteren. ‘Maar soms is dat helemaal niet nodig’, zegt de programmaleider om zich heen wijzend, naar het gebouw waarin we zitten (2009, Juan Navarro Baldeweg): ‘Superjong, maar zo iconisch dat het zeker monument wordt. De enige reden waarom het dat nog niet is, is dat wij nog niet toe zijn aan de tijd na de wederopbouw.’

Die eindigt wat de RCE betreft in 1965. Stel eens het Rijswijkse stadhuis (1967, halverwege de jaren vijftig ontworpen) was rijksmonument: welk verschil zou dat maken met het idee dat de stad toch al heeft om – op basis van reeds gepleegd bouwhistorisch onderzoek – de hal, gevel en bestuursvleugel te behouden? Strolenberg: ‘Anders dan veel van mijn collega’s ben ik geen architectuurhistoricus, daarom kan ik alleen in zijn algemeenheid iets zeggen. Gegeven de oorspronkelijke functie zou je in elk geval graag zien dat zo’n object publiekelijk toegankelijk blijft [is de bedoeling in Rijswijk, red.]. Verder: is iets rijksmonument, dan denken wij op basis van onze expertise volop mee. Daardoor is de kans groot dat een object méér cultuurhistorische waarde behoudt dan zonder monumentenstatus.’

Als programmaleider herstemming maakt Strolenberg zich vooral sterk voor de maatschappelijke betekenis van erfgoed. Hij zoekt aanknopingspunten met thema’s als water, natuur of algemener: ruimtelijke ordening, en draagt ook de relatie erfgoed – burger een warm hart toe. Zo is hij geporteerd van het Limburgse Kessel, waar de ruïne van De Keverberg ‘op initiatief van de bevolking’ tot kasteel is herbouwd. Er is een eigentijds bovenstuk opgezet, inclusief horeca om het project exploitabel te krijgen.

Hoe kijkt hij aan tegen de eerste casus uit genoemde serie in Binnenlands Bestuur, het Gelderse Ochten, waar met de sloop van het voormalige gemeentehuis een van ’s lands weinige ‘ensembles’ van de Delftse school verloren zou zijn gegaan. Strolenberg herhaalt onvoldoende geëquipeerd te zijn om te beoordelen of dat zo is en zo ja, hoe erg dat is. Wel zegt hij, gegeven de protesten tegen de sloop: ‘Had niet beter geluisterd moeten worden naar wat er leeft? In alle openheid ook. Dan nog had de uitkomst uiteraard sloop kunnen zijn, maar dan was een meer gedragen besluit genomen. Een publiek gebouw vraagt om een publiek debat.’

De RCE treedt vandaag de dag, in lijn ook met wettelijke veranderingen (komst Erfgoedwet, Omgevingswet), minder op als beschermer (gemeenten werden bevoegd gezag) en meer dan ooit als duider. En de dienst kijkt meer naar de samenhang der dingen, zoekt de verhaallijnen in de fysieke omgeving, wat verder voert dan rijksmonumenten alleen.

Slechts enkele tientallen gemeenten, schat de RCE, hebben een visie op erfgoed dan wel zo’n visie in ontwikkeling. Daar liggen, legt Strolenberg uit, vragen aan ten grondslag als: wat zijn van vroegs af aan onze belangrijkste verhalen geweest, wat is onze identiteit, waar zijn we trots op? Zo vind je je identiteitsverschaffers bij uitstek, bijvoorbeeld: de handel en de maakindustrie. Heb je dat eenmaal spits en zie je de lijnen als het ware door de stad lopen, dan zijn inzake behoud prioriteiten te stellen.

Wat nu als je zo’n visie ontbeert? ‘Dan loop je meer risico een kerk te redden, terwijl even later een kerk vrijkomt die cultuurhistorisch gezien veel belangrijker is, maar waar je dan het geld niet meer voor hebt.’

Erfgoed, stelt Strolenberg, is idealiter de onderlegger voor al het andere lokale beleid in het fysieke domein: collega’s daarbinnen zouden het als het vertrekpunt moeten hebben. Erfgoed moet de hoogste sport op de ‘duurzaamheidsladder’ zijn; zeker ook in geval van krimp een essentiële notie. ‘Als iemand oppert dat een monument gesloopt moet worden, zeg ik altijd: kijk eerst eens even naar andere mogelijkheden. Monumenten vormen één procent van alle panden in Nederland, dan zou het toch sterk zijn als juist zoiets tegen de vlakte moest.’

Gemeentelijke herindeling

Sinds de jaren zestig verdwenen volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek gemiddeld honderd gemeenten per decennium: van zo’n 1.000 toen naar een kleine 400 gemeenten nu. Vooral door gemeentelijke herindeling. Daarmee kwamen zeshonderd gemeentehuizen vrij. Strolenberg denkt niet dat binnen die groep potentiële monumenten over het hoofd zijn gezien. Hij wijst op een inventarisatie in de jaren tachtig, toen voor alle 12 miljoen objecten in Nederland is bekeken of ze monument waren of dat moesten worden; een exercitie waarin de huidige voormalige gemeentehuizen vanzelf zijn meegenomen. ‘Maar: het is best een idee om ze wat herbestemming betreft een keer als groep te bekijken, zoals we bijvoorbeeld ook met kerken en molens hebben gedaan.’

Laatste misvatting: de RCE jaagt op potentiële rijksmonumenten. Blijkt geenszins het geval, sterker: de dienst stelt met de ruim 62.000 objecten alles grosso modo in beeld te hebben, uitgezonderd misschien wat uit de wederopbouwperiode. Rijswijk hoeft met andere woorden geen belletje te vrezen. ‘Maar zouden ze van het stadhuis alsnog een rijksmonument willen maken, dan komen we natuurlijk graag een keer kijken of daar reden toe is.’ 


Niet afgedankt
Als serie-logo gebruikten we een wazig gemaakte afbeelding van het gemeentehuis van Veendam met daaronder de tekst “Afgedankt”. Het gemeentebestuur maakt echter nog dagelijks gebruik van het gebouw. ‘Het gebouw is dus zeker nog niet afgedankt’, aldus CDA-wethouder André Hammenga. Over herindeling is Veendam overigens wel met twee andere gemeenten in gesprek. ‘Het is een uitdaging om zo nodig een goede herbestemming voor het pand te krijgen’, aldus Hammenga.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.