of 59045 LinkedIn

Met dank aan de crisis

Eind negentiende eeuw verrijzen overal in Nederland fabrieken in het landschap. Honderd jaar later sluiten veel van die industriële complexen hun deuren. Veel van wat intussen niet is gesloopt, krijgt nu een nieuwe bestemming.

Eind negentiende eeuw verrijzen overal in Nederland fabrieken in het landschap. Honderd jaar later sluiten veel van die industriële complexen hun deuren. Veel van wat intussen niet is gesloopt, krijgt nu een nieuwe bestemming.

De Honigfabriek in Nijmegen. Ooit een plek waar per dag duizenden liter bouillon werden bereid en honderden kilo’s vermicelli van de lopende band rolden. De laatste soepmenger verliet in 2012 het enorme complex van 33 duizend vierkante meter aan de Waal.

In plaats van dicht, gingen de fabriekspoorten daarna open. Vandaag de dag kun je er in de stoere fabriekshallen en loodsen eten, drinken, winkelen, muziek maken en feestjes houden. Er worden biertjes gebrouwen en fietsen gemaakt. The place to be voor wie genoeg heeft van het geijkte en gelikte. Hipper kun je het bijna niet krijgen. Het idee is dat Bpd (voorheen: Bouwfonds Ontwikkeling) en de gemeente Nijmegen onder de naam Ontwikkelingsbedrijf Waalfront het omliggende gebied ontwikkelen om er te wonen, te werken en te ontspannen. De tijdelijke activiteiten in het Honigcomplex moeten jus geven aan de ontwikkeling.

Het Honigcomplex is niet opgenomen in het vandaag gepresenteerde boek Terug naar de fabriek. Daarin staan wel andere industriële gebouwen die eveneens een andere bestemming hebben gekregen en openbaar toegankelijk zijn. De vijf auteurs schetsen aan de hand van 25 voormalige kathedralen van de arbeid in evenzoveel gemeenten de opkomst, neergang en herontdekking van gashouders, ketelhuizen, loodsen, machinekamers en remises. ‘Keuze te over,’ aldus Jaco Boer, een van de auteurs. ‘Vrijwel overal in Nederland, van Maastricht tot Scheemda en van Ulft tot Schiedam, zijn voorbeelden te vinden van ooit uit de gratie geraakte fabrieken die een tweede kans hebben gekregen.’

Smeerpijpen
Veel rond 1890 gebouwde fabrieken moesten eind jaren zestig hun deuren sluiten. Stijgende loonkosten en internationale concurrentie waren de belangrijkste oorzaken. Protesten tegen de overlast die veel fabrieken met hun lawaai en smeerpijpen veroorzaakten, deden de rest. De ‘kathedralen van de vooruitgang’ komen leeg te staan of worden voor woningbouw of winkelcentra gesloopt. Niemand die zich er druk om maakt, want zo mooi worden veel van de neoromantische, nep-classicistische of saai-zakelijke bouwsels doorgaans niet gevonden.

De eerste voorvechters voor het behoud van oude gebouwen staan in de jaren zeventig op. Een van hen is Peter Nijhof, die tot 2015 bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed leiding heeft gegeven aan veel herbestemmingsprojecten. Het is precies in de tijd dat overal burgers zich beginnen te roeren. De tijd ook dat krakers leegstaande fabrieken in gebruik nemen als woonruimte. Intussen gaat het neerhalen gewoon door.

Met name de ongekende sloopwoede van de gemeente Tilburg onder aanvoering van burgemeester Cees Becht – bijnaam Cees de Sloper – was de aanleiding om een ministeriële adviescommissie in te stellen, geleid door Nijhof. De industrie ging ten onder en de sporen werden uitgewist, zo leek het. Het industrieel erfgoed en de kunst van het vernietigen, zo heette het rapport dat zijn commissie uitbracht. Er kwam een lijst met voorbeelden van waardevolle fabrieken in verschillende branches, die samen de geschiedenis van de industrie in Nederland vertellen.

De auteurs markeren de echte ommekeer in het denken in de jaren negentig. De precieze plek: de Westergasfabriek in Amsterdam. Dat zwaar vervuilde complex groeit door toedoen van avontuurlijke ondernemers en kunstenaars vanaf 1992 in korte tijd uit tot een nieuwe culturele hotspot, waar theatervoorstellingen in een oude gashouder worden gegeven. Het zijn de jaren van de economische voorspoed, jaren waarin grote projectontwikkelaars de opkomende behoefte aan woongebouwen, concertzalen en restaurants in industriële sfeer in de smiezen krijgen en aangrijpen. Ook buiten Amsterdam storten ze zich op het ontwikkelen van een nieuwe toekomst van het industrieel erfgoed. Vaak sneed het mes bovendien aan twee kanten: opgeknapt industrieel erfgoed verbeterde de uitstraling van het omliggende gebied, waardoor het opeens interessanter wordt daar woningen en kantoren neer te zetten. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij delen van de aardewerkfabriek Société Céramique in Maastricht.

In die jaren ging het vaak om centraal geplande projecten met veel subsidie. En vooral ook ‘ambitieus, groots en van bovenaf’, waardoor regelmatig het karakter van de fabrieken verloren ging.

Culturele sector
Als in 2008 de bankencrisis uitbreekt, houden projectontwikkelaars noodgedwongen ineens de hand op de knip.

De bouw van woningen en kantoren komt grotendeels stil te liggen. Met name de culturele sector, die juist voor veel nieuw leven in oude fabrieken had gezorgd, krijgt het zwaar te verduren door de vele gemeentelijke bezuinigingen. Vergevorderde plannen voor het hergebruik van oude fabrieken, zoals bijvoorbeeld die voor de Stork-gebouwen in Hengelo, gaan de ijskast in.

Hoe ingrijpend en schrijnend de economische crisis ook is, voor het industrieel erfgoed pakt het goed uit, constateren de auteurs. Volgens deskundigen zijn oude fabrieken, die gesloopt zouden worden, door de crisis blijven staan. Als sprekend voorbeeld wordt de gang van zaken rondom de Prodent-fabriek in Amersfoort aangehaald. De gemeente wilde nieuwbouw op de plek van die fabriek, maar de bankencrisis haalde een streep door de plannen. Nu omarmt de gemeente de nieuwe, kleinschalige activiteiten die op die plek zijn ontstaan.

Ook de non-profitorganisatie voor herbestemming van industrieel erfgoed, BOEi, ziet haar portefeuille snel groeien. Het nieuwe concept is om de gebouwen meer geleidelijk te ontwikkelen, zodra de kansen zich voordoen. Het zijn niet meer de grote projectontwikkelaars, maar vaak kleinere aannemers. ‘Het gaat meer stap voor stap’, zegt Jaco Boer. ‘Het wordt kleinschaliger en organischer aangepakt. Anderen gebruiken de term ‘slow planning.’

‘Een blauwdruk voor de lange termijn bestaat niet meer. Er is ook veel minder de neiging om alles op te knappen voor een nieuwe bestemming. Het echte zware productiewerk is natuurlijk allang verkocht, maar de nieuwe generatie gebruikers is veel zuiniger op wat nog zichtbaar is’, aldus Peter Nijhof die als eerbetoon voor zijn jarenlange het eerste exemplaar van het boek Terug naar de fabriek kreeg uitgereikt. ‘Ik denk dat de crisis van 2008 uiteindelijk tot meer behoud heeft geleid dan al onze pogingen daarvoor.’

Terug naar de fabriek. 25 industriële iconen met nieuwe energie. Uitgeverij Oostenwind. www.oostenwind.org/boeken/terugnaardefabriek/

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.