of 59232 LinkedIn

Kundig bouwtoezicht

Heinrich Winter Reageer
Een Engelstalig proefschrift over stijlen van regelgeving en plantoetsing in het bouwrecht, dat belooft stevige kost. Dat is het ook, maar toch is het boek met genoegen te lezen.

Het heeft de uitstraling van een bouwwerk, doordat op de omslag en bij het begin van elk hoofdstuk een - geometrisch vaak prachtige - foto van een gevel met een balkon, of liefst veel balkons, is weergegeven. En ook in overdrachtelijke zin is het boek te zien als een bouwwerk: de schematische weergave van de opbouw van het boek in het eerste hoofdstuk, de strakke volgorde van theoretische en empirische hoofdstukken en de introductie van elk hoofdstuk met een vraagstelling die daarin centraal staat, getuigen daarvan.

 

Van der Heijden promoveerde in maart van dit jaar cum laude aan de TH Delft. Hij verrichtte zijn onderzoek in Australië en Canada, met vijf, respectievelijk drie casestudies, maar toch heeft vooral de Nederlandse bouwpraktijk hem geïnspireerd. Daar komen de balkons natuurlijk vandaan. Het boek begint met de balkons die in april 2003 van de gevel vallen van het pas voltooide appartementencomplex ‘Patio Sevilla’ op het Céramique terrein in Maastricht. Het boek staat bol van dergelijke voorbeelden: de ontruiming van de woningen en bedrijven aan het Bos en Lommerplein in Amsterdam in 2006, het onder het gewicht van een pak sneeuw bezweken dak van een ijsbaan in Duitsland (2006), de ingestorte terminal 2E van luchthaven Charles de Gaulle (2004) en het ook al ingestorte dak van het gebouw van een golfclub in Australië (2002).

 

Incidenten

 

Het empirische bewijs dat er wat aan de hand is in de bouwwereld lijkt overtuigend. Het gaat Van der Heijden niet zozeer om die incidenten, maar om de overheidsreactie die er op volgt. In de hele westerse wereld is een trend te bespeuren in de richting van een steeds belangrijker rol voor private personen en instellingen (architecten, bouwkundigen, certificeringsbureaus) bij de toepassing van bouwregelgeving. Die privatisering doet zich zowel voor bij de plantoetsing als bij de handhaving van bouwvoorschriften. Van der Heijden gebruikt daarvoor de term ‘enforcement regimes’. In het onderzoek staan de gevolgen van de (gedeeltelijke) privatisering van bouwplantoetsing centraal. Op basis van de bevindingen van zijn onderzoek zoekt de auteur naar de optimale structuur voor de toepassing van bouwregelgeving.

 

Voorafgaand aan de presentatie van zijn bevindingen, geeft hij een beschouwing over de belangrijkste organisatiemodellen, een uiteenzetting die hij in het tweede deel van zijn boek als normatief kader hanteert bij de toetsing van hypothesen over effectiviteit, efficiëntie, rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid. Hij onderscheidt puur publieke en puur private bouwplantoetsing aan beide uitersten van het continuüm met daartussenin drie publiek/private typen die variëren in de mate van publieke invloed op de private inbreng in het bouwproces.

 

Regime change

 

Zowel in Canada als in Australië is sprake van hervorming van de bouwplantoetsing, zij het in verschillende mate. In het grootste deel van Australië kunnen bouwers kiezen tussen het traditionele bouw- en woningtoezicht en private certificering. Juist als gevolg van de concurrentie tussen de markt en de publieke actoren is er sprake van grotere doeltreffendheid en doelmatigheid.

 

In Canada is het bouwtoezicht eveneens deels geprivatiseerd, maar daar bepalen de gemeenten welke taken ze wel of niet zelf willen uitvoeren. Vancouver introduceerde een regime dat gecertificeerde architecten en bouwkundigen oplevert. Daarnaast kunnen zij ook handhavingstaken krijgen. De stad verleent nog steeds de bouwvergunning, maar de planprocedure verloopt veel sneller als een gecertificeerde professional het plan maakt.

 

Over de hele linie valt op dat de naleving is verbeterd wanneer private partijen betrokken zijn bij de toepassing van de bouwregelgeving. De verklaring ligt in de grotere capaciteit en vooral in de op deze manier verworven deskundigheid. Technisch meer gespecialiseerde toetsers kunnen een grotere ‘inspectiediepte’ halen. Zo kan een rolverdeling tussen de gemeentelijke generalist en de gespecialiseerde private toetser tot stand komen.

 

Echter: private inbreng bij het slot van de bouwplantoetsing - de vergunningverlening - en bij het slot van het toezicht - de sanctionering - levert volgens het onderzoek geen toegevoegde waarde op. Er is wel sprake van toegenomen doelmatigheid bij private inbreng: de doorlooptijden worden korter en de toetsingsprocedures goedkoper. De doelmatigheidswinst is het grootst waar private actoren zowel in de plantoetsing als in het toezicht op de uitvoering een taak hebben. Van der Heijden concludeert dat het meest adequate organisatiemodel in het bouwrecht een mix kent van publieke en private partijen. Tegelijkertijd betoogt hij dat er een omslagpunt is waar meer privatisering niet leidt tot verdere verbeteringen.

 

De auteur beveelt aan het tweedelijnstoezicht te versterken met het oog op de besteding van publieke middelen. Maar dat is een buitengewoon kostbare zaak, zoals ook de promovendus erkent. Als de winst die gedeeltelijke privatisering van het bouwtoezicht oplevert op die manier weer verdampt, spannen we het paard achter de wagen.

 

Jeroen van der Heijden; Building regulatory enforcement regimes. Comparative analysis of private sector involvement in the enforcement of public building regulations; IOS Press Amsterdam, 2009, ISBN 9781586039851, 60 euro.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.