of 59045 LinkedIn

Operatie Antimisbruik geslaagd, patiënt Wob overleden

Caroline Raat 2 reacties

Onlangs heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eindelijk uitspraak gedaan in de zaak waarbij een appellante feitelijk de dupe is van het gedrag van haar gemachtigde.

Er is volgens deze uitspraak sprake van misbruik van recht door bestuursrechtelijke procedures als bedoeld in artikel 3:13 van het BW. Hoewel het terecht is dat misbruik in het bestuursrecht wordt aangepakt, blijft dit juridisch niet al te zuiver - de Awb-wetgever heeft immers niet gekozen voor een anti-misbruikbepaling naast die van artikel 8:75 (misbruik van procesrecht)? De Afdeling heeft hiermee feitelijk een nieuw ongeschreven ontvankelijkheidsvereiste geïntroduceerd naast dat van het actuele procesbelang. Ik zou zeggen: deze uitspraak maakt het wetsvoorstel Plasterk overbodig.

 

De Afdeling vindt dat het de verzoeker moet gaan om openbaarmaking voor een ieder. Het opvragen van stukken met het doel die te kunnen gebruiken in een procedure, maakt dat feitelijk geen sprake is van een Wobverzoek. Dit lijkt mij niet stroken met de wet en de wetsgeschiedenis. Het komt ook mogelijk in strijd met de artikelen 6 (equality of arms), 8 (right to know) en 10 (freedom of information) van het EVRM. Ik zou zeggen: iemand die een Wobverzoek doet, neemt bewust het risico dat stukken voor een ieder openbaar zijn. Maar volgens artikel 3 van de Wob, hoeft dit zijn oogmerk helemaal niet te zijn. Een verzoeker hoeft zelfs geen belang te stellen.  

 

Daarbij speelt ook nog dat bestuursorganen die niet uit zichzelf alle op de zaak betrekking hebbende stukken indachtig de artikelen 7:4, 7:18 en 8:42 van de Awb ter inzage leggen of aan de Rechtbank, sturen vrijuit gaan. Er is immers geen rechtsmiddel tegen, en dat lijkt de Afdeling geheel te miskennen. Want laten we wel wezen: wanneer is een bestuursrechter zo wakker was om indachtig artikel 8:28 van de Awb een bestuursorgaan te sommeren om alle stukken op te sturen omdat dat bestuursorgaan een eigen selectie maakt van wel relevante stukken? De Wet bescherming persoonsgegevens biedt ook geen soelaas bij overheden die hun productieplicht verzaken, omdat die wet alleen gaat over bestanden. En als die overheid belangrijke stukken niet in een persoonsdossier of zaaksdossier stopt, maar verspreid bewaart, dan staat de belanghebbende met lege handen. In elk geval zal van de bestuursrechter en met name van de griffie grotere alertheid mogen worden verwacht op dit punt.

 

Het einde van de antimisbruikdiscussie is nog niet in zicht. Gevolg zal zijn dat elke verzoeker - ook als hij dat niet echt meent - zal melden dat hij algemene openbaarmaking beoogt. Alleen als meer dan aannemelijk is dat een verzoeker helemaal niet geïnteresseerd is de door hem gevraagde informatie, kan hieraan volgens een recente uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland een halt toe worden geroepen.

 

Caroline Raat is specialist in behoorlijk bestuur

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Paul Kemperman op
In het wetsvoorstel van minister Plasterk tot aanpassing van de Wob gaat hoofdstuk III-A over de verstrekking van niet-openbare informatie aan bijzondere belanghebbenden. Alleen al vanwege artikel 7a is zijn wetsvoorstel zeker niet overbodig.

Artikel 7a lid 1 luidt aldus: "Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in de artikelen 10 of 11 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie".

Een dergelijke bepaling is in deze tijd van essentieel belang voor rechtzoekenden die worden geconfronteerd met bestuursorganen die bepaalde stukken op basis van de Wob, de Wbp of de Awb achterhouden om zichzelf in een betere procespositie te manoeuvreren.

Zie de uitspraak van de Raad van State van 19 november jl. over het achter houden van stukken door de gemeente Zevenaar in het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens: http://bit.ly/1tdouB2
Door Liesbeth van Leijen (jurist) op
ik deel de stelling van mevrouw Raat dat deze uitspraak geen antwoord is op alle vragen rondom de Wob en zijn piraten en tevens nieuwe zorgen met zich meebrengt.

Toch kan ik me er wel in vinden.

De uitspraak weerspiegelt de tijdgeest, die inderdaad afwijkt van de tijd waarin de Awb en de Wob zijn geschreven.

Tegenwoordig hebben we te maken met lieden die misbruik maken van democratische middelen en rechten. Op Internet kennen we het fenomeen van de trollen en het gedrag van beide juridische adviseurs in deze uitspraak heeft daar wel wat van weg.

Naast bestrijding van misbruik zie ik nóg een interessant verschijnsel, dat langzamerhand het bestuursrecht binnenkruipt: het wederkerigheidsbeginsel. In deze uitspraak wordt betrokkenen immers misbruik van bevoegdheid verweten, bij bestuursjuristen ook wel bekend als 'detournement de pouvoir'. Deze term is ontleend aan het Franse bestuursrecht en eigenlijk altijd gefungeerd als een extra kritische toets voor gedrag van de overheid. Het bestuursrecht kent immers niet voor niets zo veel waarborgen voor de burger, die nooit helemaal een gelijkwaardige partner van de overheid kan zijn. In deze zaak blijkt niet alleen de overheid hierop te kunnen worden getoetst.

Dat je in het bestuursrecht - net als in het strafrecht overigens - uitermate voorzichtig moet zijn met de toepassing van deze wederkerigheid, onderschrijf ik. Dat het nooit mag, omdat de gevolgen (voor anderen) onevenredig zwaar kunnen zijn, lijkt me niet. In deze uitspraak lag het trollengedrag er immers duimendik bovenop.