Met hagel schieten op hangjongere
Met de publicatie Jeugdgroepen in beeld werd in 2004 een nieuwe methode om jeugdoverlast op straat aan te pakken in Nederland geïntroduceerd. De politie ging groepen via een vragenlijst indelen in hinderlijke, overlastgevende en criminele categorieën. Voor gemeenten braken een nieuwe tijd aan. Zij namen het heft in handen en tuigden een organisatie op rondom de aanpak van jeugdgroepen.
Die aanpak lijkt te werken. Verschillende gemeenten rapporteerden de afgelopen jaren een daling van het aantal overlastgevende groepen. Maar is dat ook zo in werkelijkheid? Wat is nu daadwerkelijk effectief gebleken bij de aanpak van groepen? Hoe komt het dat een groep is ‘opgeheven’? Is dat echt te danken aan de groepsaanpak?
Door de druk vanuit de politiek en de toegenomen aandacht voor overlastgevers, is de afgelopen jaren een enorme bureaucratie rond de aanpak ontstaan. Het niet geringe aantal betrokken organisaties en ambtenaren bij de aanpak bestaat uit politie, gemeenteambtenaren, jongerenwerkers, straatcoaches, jeugdzorg, veiligheidshuizen, OM, toezichthouders, zorgteams, netwerken risicogezinnen, buurtmakelaars, leerplichtambtenaren, het jongerenloket en ga zo maar door.
In 2010 lag het totale aantal jeugdgroepen in Nederland op 1.527. Een groep jongeren bestaat gemiddeld uit vijftien tot 25 personen. Het aantal ambtenaren dat betrokken is bij zo’n groep is al gauw zo groot als de groep zelf. Maar is een methode nog wel effectief als er zoveel energie, uren en mankracht nodig is?
De groepsaanpak concentreert zich daarbij meestal op de individuele aanpak van jongeren, waarbij het bespreken van problemen zich maar al te vaak slechts beperkt tot het ‘uitwisselen van informatie’. De individuele aanpak is vaak afhankelijk van inspanningen van organisaties die de jongeren toch al in het vizier hebben, of die ‘probleemeigenaar’ zijn, zoals de leerplichtambtenaar, een gezinsvoogd of de jeugdreclassering.
Doorgaans wordt weinig aandacht besteed aan een goede en gezamenlijke analyse. Met het onderdeel ‘groepsgerichte aanpak’ wordt weinig (creatiefs) gedaan. Vragen als hoe de jongens elkaar kennen, en of ze wel echt bevriend zijn, worden niet gesteld. Men is zo bezig met de eigen structuur en bureaucratie dat het gezonde verstand het soms laat afweten. Terwijl de groep wellicht ook effectief kan worden aangepakt met minder inspanning. Misschien zijn extra surveillances wel voldoende. Misschien helpt het als politie en OM twee jongens van de groep voor een aantal jaar opsluiten. Misschien is het een idee de ouders van die probleemjongeren aan te schrijven.
In de gemeente Utrecht stonden in 2008 ongeveer 35 groepen op de shortlist. Er is weinig fantasie voor nodig het vergadercircuit van de groepsaanpak voor te stellen. Na de tijdrovende indeling van de overlastgevers in groepen die het eerst moeten aangepakt, komt de tijdrovende bestuurlijke besluitvorming over de prioriteiten. En zo is het niet ondenkbaar dat een besluit over een groep overlastgevers na een half jaar al achterhaald is omdat de groep van samenstelling en gedrag alweer is veranderd en er dus eigenlijk opnieuw een analyse en indeling gemaakt moeten worden.
Mijn suggestie voor de groepsaanpak: bekijk goed welk instrument heeft geholpen bij de aanpak van de groep. Verminder het uitkauwen van de hele methode en maak een goede inschatting van wat echt zou kunnen helpen. Is het een groep waarvan de problemen het risico lopen van kwaad tot erger te worden? Of lopen die jongeren over een paar jaar met vrouw en kind in datzelfde winkelcentrum waar ze met hun scooter ooit overlast veroorzaakten? In dat geval: beperk de hinder voor omwonenden tot die tijd en laat het daarbij.
Agnes van den Andel is senior adviseur jeugdcriminaliteit bij onderzoeksadviesbureau DSP-groep.
Reactie op dit bericht
Mijn ervaring is dat structureel georganiseerd overleg vaak blijft bij het uitwisselen van informatie. Hoewel een goede informatiepositie van essentieel belang is voor een goede aanpak ontbreekt het vaak aan creativiteit.
Bij de aanpak van straatoverlast is het lastig na te gaan welke interventie het meest effectief is geweest. Gedegen onderzoek naar succesfactoren kunnen bijdragen aan toekomstige interventies. Ik kan me daarom helemaal vinden in de conclusie van de auteur.