Over spruitstukken en deegbodems
Vorige week viel weer het BZK-magazine Nationale veiligheid en crisisbeheersing op mijn goed bewaakte deurmat - altijd een vreugdevol moment in mijn bestaan. Een vertrouwenwekkende staatssecretaris meldt dat in oktober de Wet veiligheidsregio’s in werking treedt. Die regelt het bestuur van rampen.
Niet dat we die vaak hebben maar het is wel zo verstandig deze bestuurlijk gecoordineerd - wat zeg ik: integraal - tegemoet te treden. Veel slagkracht krijgen we daarvan én beleidscongruentie. Ik kan niet wachten tot de volgende ramp. Dan zal blijken dat nog veel moet worden ‘doorontwikkeld en geïmplementeerd’ en dat nog steeds ‘restanten van een lappendeken’ resteren. Ik citeer de staatssecretaris vrijelijk.
Het COT heeft, neem ik aan, alvast de opdracht om de Wet aan zijn gezaghebbend en paniekzaaiend oordeel te onderwerpen. Het is roerend te lezen wat de grote discussiepunten waren rondom de Wet.
Allereerst de bestuurlijke vormgeving. Veiligheid moet lokaal zijn ingebed. Daarom is een landelijk uniform systeem opgelegd. Er blijven zorgen over democratische legitimatie. Gemeenteraden zijn slechts indirect betrokken. Wallages ROB zal om advies worden gevraagd, hetgeen gevolgen kan hebben voor de inrichting van het openbaar bestuur. Laat me raden: gemeentelijke herindeling? Uiteindelijk kan ons land de totale en integrale congruentie bereiken.
Tweede discussiepunt: de financiering. Er komt geld bij, maar niet genoeg en de bestedingsvrijheid is ingeperkt. Dat vind ik mooi: eerst zouden regio’s de efficiëntie vergroten. Daarna zou door opschaling maatwerk mogelijk worden. In een achteloos paragraafje verklaart het BZK-magazine deze argumenten tot wat ze zijn: nonsens.
Het derde discussiepunt is opnieuw metaforisch voor de bestuurlijke orde in ons land: de positie van de Commissaris der Koningin. Deze wordt overbodig én belangrijk. De voorzitter van de veiligheidsregio is verantwoordelijk voor regionale rampen en crises.
Dat klinkt al tamelijk omineus, maar als de ramp zich dan niet aan de regionale indeling houdt - het schijnt voor te komen - stemmen de voorzitters hun beleid af en kan de CdK een aanwijzing geven, uiteraard na verkregen instemming van de minister van BZK, die de rol van de CdK benoemt “als oliemannetje en veiligheidsklep: hij is degene die het smeermiddel moet zijn als dat nodig is en hij is de veiligheidsklep die als het nodig is wordt ingeschakeld”.
De beelden van de Zomergastenfilm La Grande Bouffe, waarin ik Marcello Mastroianni met een spruitstuk in de weer zag en Ugo Tognazzi een deegbodem van zekere rondingen zag voorzien, komen dan voor mijn geest. De minister in kwestie - inderdaad, zij - zal dat niet hebben bedoeld. Ten slotte was er ook nog een inhoudelijk discussiepunt. Je zou bijna vergeten dat bestuurlijke structuren altijd dienend zijn.
De gemoederen zijn kennelijk hoog opgelaaid over de ‘Bezetting van de tankautospuit’. Daarvoor geldt uiteraard een standaard. Die is in de wet variabel gemaakt. Dat is gevaarlijk en verkapte bezuiniging. Zo kennen we de angst van de dominee voor de koopman weer. Hoe regelen we dat? Door nadere voorwaarden voor deze afwijking aan te geven.
Ik voel me als burger weer een stuk veiliger nu we ramp en crisis bestuurlijk hebben ingebed, ingekaderd en randvoorwaardelijk geclausuleerd binnen de gedecentraliseerde eenheidsstaat. Nu nog het Rijk beleidscongruent maken en ik kan echt rustig gaan slapen.
Ik word op mijn wenken bediend in hetzelfde magazine. Erwin Muller stelt met onverholen vreugde vast dat dankzij de Heroverwegingswerkgroepen het ministerie voor Veiligheid weer terug is. Alle taken op het gebied van criminaliteit en terrorismebestrijding, rechtshandhaving en rechtspraak, openbare orde en opsporing, preventie en radicalisering, crisis en rampen kunnen naar een ministerie.
Muller weet ook wel dat dit de efficiëntie helemaal niet dient. Hij roemt vooral de voordelen van de integrale aanpak. Kunnen we eindelijk inhoud boven machtsbelangen laten prevaleren. Jammer dat onze rampenadviseur niet even doorpakt. Uiteindelijk is alles toch een kwestie van veiligheid?
Waarom maken we dan niet een ministerie voor Alles? Hebben we coalitie noch compromis meer nodig. Gedogen we gewoon de minister-president. Is ook nog maar één adviesinstantie nodig. Inderdaad...
Paul Frissen is decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, hoog leraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.