Barometer van lokale veiligheid
De nieuwe Gemeentelijke Veiligheidsindex (GVI), die is ontwikkeld door Politie en Wetenschap (onderdeel van de Politieacademie) in samenwerking met de dienst Onderzoek en Statistiek van de geindexmeente Amsterdam, werkt met een indexcijfer, waarbij het gemiddelde voor alle Nederlandse gemeenten in het jaar 2004 is gesteld op 100. Een score boven 100 betekent dat de veiligheid ter plaatse slechter is dan dat landelijke gemiddelde. De gemeenten Zundert, Bunschoten, Castricum, Coevorden en Goirle, alsmede de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten scoorden in 2007 precies 100.
Het indexcijfer voor Utrecht daalde van 309 in 2004 naar 256 afgelopen jaar. Het indexcijfer is uitsluitend berekend op grond van aangiftecijfers van de politie, die worden geleverd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. ‘Die cijfers zijn de enige die landelijk, actueel en redelijk betrouwbaar ter beschikking staan’, aldus Frits Vlek, programmadirecteur van Politie en Wetenschap. Subjectieve data over onveiligheidsgevoelens zijn buiten beschouwing gelaten. ‘Ze zijn niet overal beschikbaar op gemeenteniveau, en over het algemeen volgt de subjectieve veiligheid de objectieve veiligheid’, verklaart Vlek.
Gekeken is naar vier categoriën misdrijven: diefstal (diefstal uit/vanaf motorvoertuigen en overige voertuigen, autodiefstal en zakkenrollerij), inbraak (woningen), geweld (bedreiging, mishandeling, straatroof, aanranding en verkrachting), en vernieling. De eerste drie categorieën zijn volgens Politie en Wetenschap een goede graadmeter voor ‘alledaagse misdrijven’, terwijl vernieling een goede indicator is voor moeilijk meetbare zaken als overlast, hinder en gevoelens van onbehagen. Die laatste aanname stoelt op de ‘broken windows’- theorie, die stelt dat vernielingen in een wijk als vanzelf leiden tot meer criminaliteit omdat daders veronderstellen dat er ter plekke weinig sociale controle en dus een lage pakkans is.
Sommige delicten (winkeldiefstal, fietsendiefstal) zijn bij het opstellen van de index buiten beschouwing gelaten omdat er per politieregio aanzienlijke verschillen kunnen optreden bij de registratie daarvan. Een inwoner van Amsterdam meldt diefstal van zijn fiets wellicht minder snel aan de politie dan een inwoner van Vianen. Frits Vlek: ‘Je krijgt dus nooit alles boven water. Datgene wat mensen echt de moeite waard vinden, wordt wèl altijd aangegeven bij de politie. Dit fenomeen is over het hele land grosso modo wel hetzelfde.’
Ook zware delicten als moord zijn bij het ontwikkelen van het meetinstrument niet meegeteld. ‘De kans dat je daar als gemiddelde burger mee in aanraking komt, is zeer gering’, legt Vlek uit. ‘De vraag is ook altijd hoe je zoiets moet wegen. Telt een moord drie keer zwaarder dan een gewelddadige beroving? Daar kom je niet uit.’
De aangiftecijfers die wel bij de beoordeling zijn betrokken zijn gedeeld door het aantal inwoners of (bij inbraken) het aantal woningen. De vier categorieën zijn vervolgens gemiddeld, hetgeen een eindcijfer oplevert. ‘Het is een barometer van het veiligheidsklimaat in een gemeente, vergelijkbaar met de AEX-index voor de beurs’, aldus Vlek. ‘We geven géén verklaring voor een bepaalde score. Daarvoor is veel meer achtergrondkennis nodig en die is lokaal aanwezig. De index biedt gemeenten een handvat om te doorgronden op welke terreinen wellicht actie nodig is.’
Uitbreiden
In de toekomst kan de index in twee richtingen worden uitgebreid, oppert Politie en Wetenschap. Enerzijds kan het instrument worden uitgerold over de hele Benelux, waardoor bijvoorbeeld Rotterdam kan worden vergeleken met Antwerpen, of de landelijke ontwikkeling in Nederland met die in België. Anderzijds kan de index juist fijnmaziger worden gemaakt, waardoor buurten of wijken naast elkaar kunnen worden gelegd. Voor die laatste variant ontbreken momenteel nog de juiste gegevens; niet alle politiekorpsen leggen de exacte pleegplaats van een delict nauwkeurig vast.
Naar schatting dertig procent van de aangiftes in bepaalde categorieën kan daardoor niet aan een bepaalde wijk of buurt worden toegeschreven. Overigens denkt Politie en Wetenschap dat de gemeenten, als voornaamste belanghebbenden bij de index, ook de meest aangewezen beheerders van het instrument zijn. Dat beheer bestaat vooral uit het actualiseren van de gegevens en die landelijk beschikbaar maken. ‘Daarbij denken we aan de VNG of SGBO’, aldus Vlek.
Voor de complete ranglijst van de veiligheidssituatie in alle Nederlandse gemeenten zie de veiligheidsindex (pdf). Voor meer details over de Gemeentelijke Veiligheidsindex zie www.politieenwetenschap.nl
Amsterdam
Het indexcijfer voor de hoofdstad in 2007 is 226: erg onveilig. Op het punt van vernielingen scoort Amsterdam niet heel veel slechter dan het landelijk gemiddelde, maar de categorieën geweld en diefstal springen er wel uit. Laatstgenoemd delict vertoont, net als in vergelijkbare grote steden als Rotterdam en Utrecht, overigens wel een dalende lijn. Dat zorgt weer voor een stabilisatie of zelfs een lichte verbetering van het totale indexcijfer tussen 2004 en nu. Nader onderzoek hoe de daling van het misdrijf diefstal valt te verklaren is dan ook aan te raden, aldus Politie en Wetenschap.
Roermond
De ontwerpers van de Veiligheidsindex hebben de uitkomsten van enkele gemeenten nader onder de loep genomen in een poging die te duiden. Roermond (54.000 inwoners) heeft al jaren op rij een relatief hoog indexcijfer (206) en staat daarmee landelijk op de negende plek. Vooral inbraken en geweld laten hoge scores zien. Buurgemeenten als Weert, Venlo en Venray hebben veel lagere cijfers. In een recent onderzoeksrapport van het COT, instituut voor veiligheids- en crisismanagement, worden enkele verklaringen geopperd voor de opvallende misdaadcijfers van de Midden-Limburgse stad.
Zo ontbreekt in Roermond van oudsher een brede middenklasse. Ook kent de stad een aantal ‘probleemwijken’. Ook zijn er enkele groepen probleemjongeren van Antilliaanse en Marokkaanse afkomst die zich schuldig maken aan criminaliteit. Ten derde wordt geconstateerd dat er geen traditie is van goede en effectieve bestuurlijke en politiële samenwerking in het kader van lokaal veiligheidsbeleid. Bij het verklarende belang van die laatste factor plaatst Politie en Wetenschap overigens vraagtekens.
Utrecht
De Domstad (290.000 inwoners) is koploper in de Gemeentelijke Veiligheidsindex. Het indexcijfer voor 2007 is 256. In 2004 was dat 309, in 2005 was het 287 en in 2006 290. Met name in de categorie diefstal scoort de vierde stad van het land extreem hoog (indexcijfer 401 in 2007). De stad is landelijk koploper in deze categorie, al is er in 2007 verbetering opgetreden. Inbraak en geweld scoren minder extreem.
Het hoge diefstalcijfer zou volgens Politie en Wetenschap te maken kunnen hebben met de centrumpositie van Utrecht en het daarmee samenhangende relatief hoge bezoekersaantal (forenzen, dagjesmensen en congresgangers). Dat kan autokrakers aantrekken. Ook zwermen veel treinreizigers uit over Hoog-Catharijne en het winkelgebied in het centrum en vormen daarmee potentiële slachtoffers van zakkenrollers en tasjesrovers.
Volgens Politie en Wetenschap neemt Utrecht wat betreft toeloop van bezoekers overigens geen uitzonderlijke positie in ten opzichte van referentiegemeenten. De Domstad en de makers van de index verschillen op dit punt echter diepgaand van mening over de gehanteerde methodologie (zie ook de pagina’s 32-33). Volgens Utrecht dient de verblijfsbevolking (zowel recreatieve bezoekers als werkenden) wel degelijk verrekend te worden. Politie en Wetenschap heeft dat in een eerste versie van de index ook gedaan, maar is daar later op teruggekomen.
Frits Vlek: ‘Als de auto van een bezoeker wordt opengebroken vindt die autokraak nog steeds plaats in Utrecht. Als je de binnenkomende mensen meetelt moet je de mensen die overdag de stad verlaten er ook weer van aftrekken en die in een andere gemeente meetellen. Dat wordt ondoenlijk, die cijfers zijn niet beschikbaar. Bovendien is de impact op de eindscore marginaal. We hebben het berekend: Utrecht zou vijftig miljoen bezoekers moeten hebben om de huidige koppositie kwijt te raken. Als je gaat corrigeren voor de verschillen in verblijfsbevolking ga je ze wegredeneren. Wij willen die verschillen juist gebruiken bij het zoeken naar verklaringen voor uiteenlopende scores.’ Utrecht vindt dat praktische bezwaren niet de doorslag moeten geven ‘als je de pretentie hebt dat je een wetenschappelijke methode ontwikkelt die beter is als de bestaande, zoals de Misdaadmeter van het AD.’
Reactie op dit bericht