Jeugdgezondheidszorg niet naar GGD
Nederland heeft een paar heftige gezinsdrama’s gekend. Politiek, burger én professional zijn eensgezind: nooit meer een drama als rond het ‘Maasmeisje. De bundeling van bestaand aanbod in een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) moet de coördinatie van de zorg sterk verbeteren en de preventieve steun aan ouders en kinderen versterken. Gemeenten zijn hiervan de regisseur en moeten zorgdragen voor niet-vrijblijvende samenwerking tussen alle betrokken partijen. Dat vraagt ook dat gemeenten domeinstrijd in de kiem smoren. Want het uitgangspunt moet zijn: het kind staat centraal.
Binnenkort neemt de VNG een standpunt in over de toekomst van de publieke gezondheidszorg. Jeugdgezondheidszorg (JGZ) is daarvan een belangrijk onderdeel. De afgelopen tijd hebben de GGD’en nadrukkelijk gepleit voor de GGD als dé vanzelfsprekende plek voor de integrale jeugdgezondheidszorg voor 0-19 jaar. Volgens de GGD’en is de oprichting van het Centrum voor Jeugd en Gezin een ‘goed moment’ om die integratie tot stand te brengen.
Deze integratie betekent echter een ingrijpende hervorming van de structuur van de jeugdgezondheidszorg. En een fusieproces dat onnodig veel tijd, geld en inspanning kost. Daar is niemand bij gebaat; de gemeenten niet, de professional niet en zeker het kind niet. De oprichting van een Centrum voor Jeugd en Gezin biedt juist kansen om vanuit de inbreng van ieders eigen kennis en kunde de krachten te bundelen en te komen tot een zo breed mogelijk samenwerkingsverband. Dat is mijns inziens dé succesfactor voor het welslagen van de Centra voor Jeugd en Gezin.
Ik zie bovendien dat gemeenten de ruimte willen om zelf de regie te nemen en te bepalen hoe ze de centra organiseren en door wie ze taken uit de jeuggezondheidszorg laten uitvoeren. In drie hoofdpunten: jeugd en gezin centraal, met de nadruk op preventie, géén blauwdruk voor de organisatie én een duidelijke scheiding tussen advies en uitvoering.
De problemen in opgroeien en opvoeden moeten mijns inziens niet meer benaderd worden vanuit functies of het aanbod van instellingen, maar vanuit de vraag om advies, hulp of steun. Vooral in de preventieve, vrijwillige opvoedingsondersteuning liggen veel kansen. We moeten alles doen om te voorkomen dat een kind bijvoorbeeld in de jeugdzorg of de psychiatrie belandt.
Als we veel aan preventie en ondersteuning doen, onder meer via thuisbegeleiding, blijven er op de wachtlijst alleen de echt geïndiceerde kinderen en jongeren over. Gemeenten hebben met het Centrum voor Jeugd en Gezin niet zozeer een nieuwe instelling voor ogen, maar eerder een bundeling van krachten achter één loket. Voor dat loket zoeken zij een concrete plek, bijvoorbeeld bij een consultatiebureau, in een welzijnsinstelling of in een brede school.
Minimaal is hierbij de jeugdgezondheidszorg en (school-) maatschappelijk werk betrokken. Maar vaak is de opzet ook breder, met verloskunde en kraamzorg, met bureau Jeugdzorg en met welzijnsinstellingen. Voor een effectieve afstemming is het van belang om beleidsadvisering en de uitvoering van zorg te scheiden. De GGD kan als gemeentelijke dienst als beleidsadviseur fungeren. De GGD kan in die rol als een adelaar boven ‘het veld’ zweven, overzicht houden over het hele domein van welzijn en zorg, de gezondheidssituatie in beeld brengen, witte vlekken ontdekken, verbindingen leggen en toezien op de uitvoering. Het is vervolgens aan lokale bestuurders om tot een adequate contractering met uitvoeringsorganisaties, zoals zorgorganisaties, te komen.
Zowel minister Klink van Volksgezondheid (CDA) als minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin (ChristenUnie) stellen de lokale autonomie in de publieke gezondheidszorg voorop. De gemeenten hebben de regie om tot een passende organisatie van toegankelijke zorg voor de jeugd te komen. Door die gemeentelijke regie en door de vereisten van de wet is de jeugdgezondheidszorg publiek geborgd. Daarvoor hoeft die zorg niet bij de GGD te worden ondergebracht. De Wet publieke gezondheid maakt de mogelijkheid om deze jeugdzorg naar eigen inzicht te organiseren zelfs nog ruimer.
Het belangrijkste criterium in de keuze moet uiteindelijk zijn in welke mate de organisatie of het samenwerkingsverband de (potentiële) vraag van het gezin kan beantwoorden. Met andere woorden, het is aan de gemeente om zelf te bepalen bij welke organisaties zij straks de uitvoering van de zorg voor jeugd en gezin willen neerleggen.
Ook nu al zijn uiteenlopende uitvoeringstaken - van het ophalen van huisvuil tot het uitvoeren van de jaarlijkse griepprik - bij private instellingen neergelegd. Bij de oprichting van het Centrum voor Jeugd en Gezin hebben gemeenten aan zorgorganisaties een uitstekende partner. Die zijn vrijwel allen met het kwaliteitskeurmerk HKZ gecertificeerd en kunnen met een scherpe contractering worden afgerekend op het resultaat. Resultaat waarbij het kind gebaat is.
Han Noten, voorzitter ActiZ, organisatie van zorgondernemers Hij is tevens fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer


