Jeugdzorg kan valkuilen voorkomen
Onlangs haalde Ab Klink de media met zijn zorgen rondom kwaliteit en financiering van de gezondheidszorg. Met het huidige systeem zal het niet lukken de kosten-tsunami te remmen. Het roer moet om. Maar zo gemakkelijk is het niet om in een bestaande en stugge sector zoals de curatieve zorg, de manier van werken en financieren aan te passen.
Het vergt inzicht en medewerking van alle partijen. Zorgverzekeraars, instellingen, patiëntenorganisaties en het ministerie: ze kijken elkaar wantrouwend aan, wachten elkaars initiatieven af en gaan daarna in discussie over de haalbaarheid ervan. En voor je het weet zijn we jaren verder en verandert er niets tot nauwelijks. Dus hoe kan het wel? Wanneer is ‘men’ zover dat er een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid wordt genomen en partijen over de eigen schaduw heen kijken? Wanneer is er echt momentum voor verandering? Laten we eens kijken naar een voor de maatschappij belangrijk onderdeel van de zorg; de jeugdzorg.
Hier vindt de komende jaren een transitie plaats, waarbij de eindverantwoordelijkheid over de kosten en kwaliteit van provincie bij gemeenten terecht komt. De gemeenten krijgen hiermee de sleutel in handen tot de herinrichting van een stelsel dat net als de zorg in brede zin noodzakelijkerwijs moet veranderen. Juist die transitie biedt het domein een uitgelezen kans om niet in de door Klink beschreven valkuil te stappen. Dit lijkt nog te weinig door te dringen bij de spelers die de kans hebben om de jeugdzorg tot een vitale, innovatieve, kwalitatieve en efficiënte sector te transformeren.
De transitie wordt nu grotendeels verschoven van de provincie naar de gemeente. Het gevolg: decentralisatie zonder vernieuwing. Dat is ook wel logisch, de betrokken partijen krijgen nogal wat over zich heen. Gemeenten krijgen niet alleen de volledige jeugdzorg erbij, ook welzijn-, zorg- en onderwijstaken komen hun kant op. Zeker als er na de verkiezingen de transities ambulante begeleiding en Werken naar vermogen bij de gemeenten terecht komen is het werkterrein van gemeenten, na de WMO van voorgaande jaren, overvol.
Consequentie van die overvolle agenda’s is dat men onvoldoende de ruimte neemt om de transitie ook als een transformatie op te pakken. Het ontbreekt aan een visie om de jeugdzorg te herontwerpen. Andere financieringsstructuren, sturen op de vraag en vraaggestuurd werken, ontzorgen en normaliseren. Helaas zijn het thema’s die de agenda’s niet halen. Net als het toepassen van sociale en technologische innovaties, wat maar niet van de grond komt. Ondanks dat de jeugdzorg een sector is die zich vanwege de jonge doelgroep goed leent voor allerlei vormen van online hulpverlening. Mede door het gebrek aan verandervisie, lukt het onvoldoende een goede samenwerking te organiseren en de eigen kracht van gezinnen en de samenleving beter te benutten. Het zijn juist deze oplossingsrichtingen die Klink beschrijft - op zoek naar doelmatigheid, meer overleg met patiënten (gezinnen) en meer ruimte voor kwaliteitsverbetering van leven (veilig en gezond opgroeien) - waarmee de jeugdzorg zich kan hervormen.
De urgentie is er. De jeugdzorg staat voor een bezuinigingsuitdaging van minimaal 10 procent. Dit gaat niet lukken als we het huidige systeem vol bureaucratische controlemechanismen (zoals indicatiestelling door een aparte organisatie) handhaven. Het roer moet echt om. In de denktrant van Ab Klink betekent dit in de jeugdzorg de vraag sturen en vraaggericht financieren. Investeren in het gesprek met de cliënt in plaats van -per definitie- behandelen. Het is met de transitie voor de deur tijd voor actie. Tijd voor een visie, tijd voor innovatie. Zodat we onze maatschappelijke middelen besteden zoals ze bedoeld zijn: om jongeren gezond en veilig op te laten groeien. Als we dit goed doen, kan jeugdzorg een aansprekend voorbeeld voor de gezondheidszorg worden.
Robert van Oirschot en Laurens Waling zijn innovatoren bij adviesbureau Alares.
Reactie op dit bericht
Het Buurtzorgmodel is heel goed en toepasbaar in de Jeugdzorg, zoals BuurtJong en de (inmiddels 20) Opvoedpoli-teams nu al enige jaren bewijzen. De provinciale (en gemeentelijke) beleidsnota's staan ook vol met goeie intenties om innovatie en efficiëntie meer ruimte te geven. Dat is echter op papier en op congressen makkelijker uit te dragen dan daadwerkelijk te doen. De procedures voor aanvragen van bijdragen voor het integrale 'nieuwe werken' gaan nog sterk uit van fragmentatie van de zorg en van bestaande instellingen met hun aanbod. Het is een taaie materie waar de toets-ambtenaren ook mee worstelen: hoe toets je vernieuwing aan de klemmende formats van je subsidieverordening en je controles, die nog sterk uitgaan van oude situaties die je juist wil vernieuwen? Wie durft buiten de paden te gaan en innovatie ruimte te geven zonder loodzware aanvraag- en verantwoordingsklemmen waar je een hele batterij beleidsmensen ( = overhead) voor nodig hebt, ten koste van je hulpverleners die het echte werk doen? Daar lopen BuurtJong en Opvoedpoli en andere vernieuwers nu keihard tegenaan: uhh, voor 1 oktober 2012 moet u uw aanvraag en uw 'programma' voor 2013 hebben ingediend. En anders is het te laat en bekijken we uw zorg laat staan uw vernieuwing niet meer. Dit soort 'knock-out'-criteria zorgen werkelijk voor een knock-out van vernieuwers met weinig overhead en die uitgaan van de vraag/behoefte van cliënten en daar oplossingen voor vinden i.p.v. van aanbod en te voren bedachte programma's die passen in het format van de financier.
Mechtild Rietveld