of 59045 LinkedIn

Stop schijn-indexering infrastructurele projecten

Martijn Gesink Reageer

Het Rijk indexeert zijn financiële bijdragen aan grote, langlopende infrastructurele projecten volgens de zogenoemde IBOI. Maar deze inflatiecorrectie loopt sinds begin deze eeuw flink uit de pas met de daadwerkelijke prijsontwikkeling. Projecten komen daardoor soms tientallen miljoenen tekort. Stop met die schijn-indexering en corrigeer voor de werkelijke kosten, vindt Martijn Gesink.

Stadsregio Amsterdam en de Nederlandse Staat zijn al jaren in een juridische strijd verwikkeld. Inzet is de prijsindexering van de rijkssubsidie voor de Noord/Zuidlijn. Door de zogenoemde IBOI-index te gebruiken, is Amsterdam al zo’n 100 miljoen euro misgelopen. Deze zaak staat niet op zichzelf. Iedere provincie, gemeente of stadsregio die geld van het Rijk krijgt voor langlopende infrastructurele projecten – geld dat standaard volgens die IBOI wordt geïndexeerd – weet van tevoren dat hij er financieel bij inschiet. Zo moesten bij onder meer het A2-Maastricht-project tientallen miljoenen worden bijgepast. Maar ook de RET heeft de portemonnee moeten trekken om het IBOI-gat bij de RandstadRail te dichten.

 

De IBOI geeft namelijk de gemiddelde prijsstijging van álle bruto-investeringen van de collectieve sector weer, dus ook die voor de aanschaf van bijvoorbeeld computers, vervoermiddelen en gebouwen. Slechts de helft van de index bestaat uit infra-gerelateerde kosten. Sinds het jaar 2000 loopt de index flink uit de pas met de werkelijke prijsontwikkeling in de grond-, weg- en waterbouwsector (gww). Dat blijkt uit vergelijkingen met specifieke gww-indexen, die ook bestaan. Het CBS heeft er een, maar ook het onafhankelijke CROW houdt de prijsontwikkeling van arbeid en grondstoffen, zoals staal en beton, in de sector scherp in het oog. Deze indexen geven wél een goed beeld van de prijsontwikkeling, in het geval van de CROW-index zelfs van maand tot maand.

 

Op het eerste gezicht lijkt het niet onlogisch dat de Rijksoverheid één index-cijfer voor al haar investeringen wil. Zo wapent ze zich tegen uitschieters en voorkomt dat de rijksbegroting voortdurend moet worden aangepast. En het blijkt inderdaad dat over een periode van meerdere decennia de IBOI een goede weergave van de gemiddelde prijsontwikkeling is. Maar het kernwoord – of beter gezegd het struikelblok – is dat ‘gemiddelde’. Mocht Amsterdam de komende decennia voortdurend nieuwe metrolijnen aanleggen, dan zijn de kosten wellicht te middelen. Maar Amsterdam légt niet voortdurend nieuwe metrolijnen aan, net zomin als de RET steeds nieuwe RandstadRails bouwt. Grote projecten zijn voor lagere overheden bijna altijd eenmalig.

 

Het risico verleggen naar de aannemer is geen optie. Dat zou in principe kunnen door ook in de contracten met hen de IBOI te gebruiken. Maar aannemers accepteren alléén een index die de werkelijke kosten weergeeft. En geef ze eens ongelijk. Lokale overheden en andere bestuurlijke opdrachtgevers blijven dus met de rekening zitten – een rekening die altijd achteraf komt en door de buitenwacht als ‘onverwachte budgetoverschrijding’ wordt gekwalificeerd, met alle negatieve en vooral onterechte connotaties van dien.

 

Laat de Rijksoverheid gewoon een onafhankelijk samengesteld index-cijfer gebruiken dat de daadwerkelijke prijsontwikkeling in de infra-sector weergeeft. Langlopende, grote infrastructurele projecten zijn te belangrijk en te kostbaar om het niet te doen.

 

Martijn Gesink is kostenmanager en partner bij Kodos, adviesbureau voor financieel projectmanagement in de gebouwde omgeving.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.