of 59054 LinkedIn

Schaf hulpraadsleden af

Fons van Schoten 2 reacties

De verhouding tussen raden en colleges is scheef. Gemeenteraden hebben door beperking van het aantal wethouders én inzet van grote aantallen hulpraadsleden hun positie ten opzichte van de colleges bovenmatig versterkt. Dat blijkt uit een verkenning van de krachtsverhoudingen tussen raden en colleges in de elf gemeenten met tachtig- tot honderdduizend inwoners.

Vóór de dualisering (in 2002) was in deze gemeenten een verhouding – op basis van de Gemeentewet – van 3,6 raadsleden op 1 wethouder mogelijk. Dat is nu anders. In tijden van bezuinigingen willen raden graag in eigen vlees snijden, al was het maar als signaal naar de kiezer. Zij hebben inderdaad gesneden en wel in hun colleges: op dit moment hebben zij gemiddeld slechts 60 procent van de mogelijke formatieruimte ingevuld. Omdat het aantal raadsleden bij de dualisering niet is teruggebracht, is de verhouding nu 8 raadsleden op 1 wethouder.

 

Daarnaast bestaan in alle elf gemeenten verordeningen die het mogelijk maken dat fracties hulpraadsleden aanwijzen. Soms heten ze fractieassistenten, soms heten ze burgerleden van raadscommissies. Zij mogen bijna alle taken verrichten die raadsleden hebben. Ze functioneren voluit in raadscommissies of daarmee vergelijkbare voortrajecten van de raadsvergadering. Zij nemen er deel aan het politieke debat en dragen er bij aan de voorbereiding van politieke besluitvorming. Zij  mogen alleen niet deelnemen aan raadsvergaderingen.

 

De elf gemeenten hebben gemiddeld 21,1 hulpraadsleden naast hun 37 raadsleden. Dat betekent een verhouding van 12,6 raadsleden/hulpraadsleden op 1 wethouder. Als alle fracties de mogelijkheid om hulpraadsleden aan te melden maximaal benutten, dan is de verhouding bijna 14 op 1. En in dat geval zouden enkele gemeenten zelfs meer hulpraadsleden dan echte raadsleden hebben.

 

De vraag is of het middel hier niet erger is dan de kwaal. Voorwaarde voor benoeming van hulpraadsleden is dat zij op de kieslijst moeten hebben gestaan. Het zijn dus mensen met politieke ambities maar zonder mandaat. Omdat zij in de raad zelf afwezig zijn is voor hen de raadscommissie de aangewezen plaats om zich politiek te profileren. Dat schuurt op de punten democratische legitimatie en bestuurlijke efficiency. Het is ongewenst dat de betekenis van een magere verkiezingsuitslag teniet wordt gedaan door hulpraadsleden aan te stellen. Laat staan dat een raadslid dat zich afsplitst als bonus vier hulpraadsleden zou moeten krijgen.

 

Bij de discussies over een eventuele dualiseringskorting hoorde je wel dat het aantal raadsleden niet omlaag zou kunnen omdat het raadswerk zo zou zijn toegenomen, bijvoorbeeld door de decentralisaties in het sociaal domein. Dat blijft vooral een hypocriet gelegenheidsargument zolang het niet gepaard gaat met een pleidooi om vanwege precies dezelfde redenen ook het aantal wethouders uit te breiden. Nu het aantal wethouders door de raden is teruggebracht mag ook kritisch naar de onderlinge verhoudingen worden gekeken. Uiteraard kan het aantal raadsleden – zo goed als met het aantal wethouders is gebeurd – worden verminderd. Daarover kan evenwel de raad niet zelf beslissen, daar is wetswijziging voor nodig en die komt er vooralsnog niet.
 

Anders ligt het bij de hulpraadsleden. De verordeningen voor het aanwijzen van hulpraadsleden kunnen door de raden eenvoudig worden weggesneden. Het eerder gebruikte vleesmes leent zich daartoe prima.

 

Fons van Schoten is projectleider/adviseur in Hilversum

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Marc (adviseur) op
Collegeleden daarentegen hebben een volledig ambtelijk apparaat tot hun beschikking. Oftewel dit artikel is volstrekte onzin.
Door Logica op
het artikel gaat uit van aantallen. Een andere optie is te kijken naar tijd.
Op Riksniveau geldt op dit moment 20 ministers/staatsecretarissen op 150 VOLTIJDS Tweedekamerleden, 1:7,5.
Raadsleden zijn veelal deeltijders. Uitgaande van een 0,3 fte tijdsbesteding tov de voltijds wethouder, betekent dat dat bij 37 raadsleden en 4,6 wethouders in wezen een verhouding van 2,5 fte raadslid versus 1 fte wethouder.
Met hulpraadsleden verschuift dit naar 4,2 fte (hulp)raadslid per 1fte wethouder. Is die verhouding nu zo gek?