of 59054 LinkedIn

Stabiel door reservefonds

Reageer

De methode waarop het rijk het geld verdeelt over de gemeenten behoeft minimale aanpassing. Met de invoering van een schommelfonds kunnen gemeenten een grillig verloop van het gemeentefonds zelf dempen.

Gemeenten stellen terecht vast dat de ontwikkeling van de algemene uitkering van het rijk zo onvoorspelbaar is. De accressen schieten alle kanten op, zowel binnen een uitkeringsjaar als tussen de uitkeringsjaren. Dit is echter al het geval sinds 1995, het jaar van invoering van de normeringsmethodiek. Deze methode staat beter bekend als samen de trap op en samen de trap af. En toch klinkt de laatste tijd de roep om meer stabiliteit steeds vaker, in vele varianten. Ik kan die behoefte alleen verklaren omdat de accressen in 2012, 2013 en 2015 negatief zijn. Dat werkt immers keihard door in een verlaging van het gemeentelijk voorzieningenniveau. Maar de werking van een systeem moet over een groot aantal jaren worden bezien.

De afgelopen 20 jaar is de afrekening van het definitieve accres nagenoeg gelijk aan de inschatting in de meicirculaire voorafgaand aan het begrotingsjaar. Die meicirculaire wordt veelal gebruikt bij het opstellen van de begroting. Het verschil blijkt slechts 0,05 procent per jaar.  Positief welteverstaan. Dat is te verwaarlozen. Het gemiddelde accrespercentage bedroeg in die jaren 2,9 procent. Dat kan ook de norm voor de toekomst zijn. Afwijkingen ten opzichte van de norm kunnen gemeenten zelf opvangen door het instellen van een schommelfonds. Zeg maar een eigen behoedzaamheidsreserve. De noodzaak daartoe verschilt per gemeente, afhankelijk van de ruimte die er is op overige begrotingsposten en de totale reservepositie. Een reserve mag overigens niet negatief zijn. Deze zal eerst gevoed moeten worden.

Door de oogharen heen bekeken, is de normeringsmethodiek een eerlijk systeem. Als de rijksoverheid meer uitgeeft, mogen de gemeenten dat ook. Bij minder uitgeven geldt het tegenovergestelde. Toen het in 1995 werd ingevoerd, was het vooral een reactie op ongelijke uitgavenontwikkeling van rijk en gemeenten enerzijds en de grepen in de gemeente­(fonds)kas anderzijds. In die zin was de invoering van de normeringsmethodiek een zegen.

De roep om meer stabiliteit wordt tevens ingegeven doordat in 2014 en 2015 de accressen gedurende het uitkeringsjaar c.q. begrotingsjaar sterk neerwaarts werden bijgesteld in de opeenvolgende circulaires. In 2014 ging het om ruim 600 miljoen euro, in 2015 om ruim 300 miljoen euro. Het is voor gemeenten zeer problematisch tijdens het jaar de begroting in een dergelijke omvang bij te stellen. Kennelijk is dat in 2014 toch gelukt. Over 2015 is het nog afwachten.

Maar er is meer onvrede over het gemeentefonds. Dat komt vooral omdat de laatste jaren gemeenten weer worden gekort buiten de normeringsmethodiek om. Denk aan 256 miljoen euro op onderwijshuisvesting, 310 miljoen euro aan btw, 18 miljoen euro aan dualisering raadsleden. Dit zijn structurele bedragen. Daarnaast is er nog eens de jaarlijkse opschalingskorting om gemeenten te stimuleren te herindelen, waarbij de bedragen naar 2025 oplopen tot 975 miljoen euro. De korting geldt echter voor alle gemeenten, ook die boven 100.000 inwoners.

De onvrede wordt daarnaast veroorzaakt door de onzekerheid rond het sociaal domein, waarbij de taakoverdracht gepaard ging met omvangrijke kortingen op het budget. De onvrede komt tot slot door de huidige manier van afrekenen met accressen, die een uitwerking kent waarbij de volatiliteit wordt versterkt.

Wat mij betreft mogen er geen grepen meer in de kas worden gedaan buiten de normerings-methodiek om. Maar zeker moet de opschalingskorting stoppen.

Dirk Jans, Directeur Frontin PAUW BV

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.