of 59236 LinkedIn

Geen reden tot paniek

De Wet Hof moet ervoor zorgen dat het gezamenlijke tekort van de Nederlandse overheden niet boven de Europese norm van -3 procent uitkomt. De Wet Hof gaat daartoe beperkingen stellen aan de investeringen – en dus aan de begrotingsvrijheid – van provincies, gemeenten en waterschappen.
1 reactie

De Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet Hof) kan investeringen van decentrale overheden frustreren. Geïntegreerd aanbesteden – voor infrastructuur, huisvesting en maatschappelijk vastgoed – biedt mogelijk een oplossing.

De Wet Hof moet ervoor zorgen dat het gezamenlijke tekort van de Nederlandse overheden niet boven de Europese norm van -3 procent uitkomt. De Wet Hof gaat daartoe beperkingen stellen aan de investeringen – en dus aan de begrotingsvrijheid – van provincies, gemeenten en waterschappen.

Voor de norm van -3 procent zijn de kasuitgaven bepalend: dus als een provincie in jaar x een bepaald bedrag uitgeeft, dan wordt dit bedrag dat jaar geheel meegeteld in het tekort, ook al schrijft de provincie de investering over meerdere jaren af. Of de investering daadwerkelijk mag worden gedaan, wordt afhankelijk van het gezamenlijke tekort van overheden op dat moment. Dit is zelfs zo indien de provincie de investering betaalt uit haar reserves (bijvoorbeeld uit de verkoop van aandelen van een energiemaatschappij) en niet hoeft te lenen.

Dat is zuur. Vermeden moet worden dat decentrale overheden hun verantwoordelijkheden niet waar kunnen maken omdat zij benodigde investeringen niet mogen doen, zelfs al hebben zij het geld daarvoor. Huur of lease zijn geen echte oplossingen.

Er is echter een oplossing voor decentrale overheden om deze problemen te vermijden: door hun investeringen te realiseren door middel van geïntegreerde contracten. Deze contracten worden al door Rijkswaterstaat voor infrastructuur en door de Rijksgebou­wendienst voor huisvesting en maatschappelijk vastgoed gebruikt en blijken in de praktijk bovendien gemiddeld zo’n 10 procent goedkoper. Maar veel decentrale overheden zijn niet bekend met deze relatief nieuwe wijze van realiseren van investeringen.

Als volgens zo’n geïntegreerd contract wordt gewerkt, specificeert de publieke opdrachtgever allereerst de gewenste functionaliteit en functionele eisen. Denk aan eisen rondom een bepaalde beschikbaarheid of doorstroming van een weg, en dus niet aan eisen als asfalt van een bepaalde soort met een bepaalde dikte. Aan de markt wordt in de aanbesteding gevraagd om een ontwerp te maken, de aanleg te verzorgen en het onderhoud voor een bepaalde periode voor haar rekening te nemen. De winnende marktpartij krijgt jaarlijks een vergoeding, maar alleen indien de gevraagde functionaliteit wordt geleverd. Dit betekent dat de marktpartij een deel van de aanlegkosten moet voorfinancieren en moet terugverdienen door gedurende de contractperiode goed te presteren. Want indien bijvoorbeeld de weg een tijd onvoldoende beschikbaar is, krijgt de marktpartij niet of minder betaald.

Deze contracten hebben bijvoorbeeld de naam DBFM: design, build, finance & maintain. De contractduur wordt afgestemd op de levensduur van de weg, het gebouw of de waterkering. Zo kan bij het ontwerp en de aanleg rekening worden gehouden met het benodigde onderhoud om tot de beste en goedkoopste oplossing over de levensduur te komen. Dit staat bekend als lifecycle costing of total cost of ownership.

Met deze contracten worden de betalingen van de overheid gespreid over de contractduur. Doordat de overheid niet in één keer betaalt bij aanleg, ontstaan er geen pieken in het tekort en dus geen dreiging dat investeringen moeten worden gestopt op grond van de Wet Hof. De ervaring die Rijkswaterstaat en de Rijksgebouwendienst hebben opgedaan met deze contracten is ook beschikbaar voor decentrale overheden.

Hoewel het nog niet zeker is dat de Wet Hof doorgang vindt, is er geen reden om bij de pakken neer te zitten. Geïntegreerd aanbesteden kan veel besparingen opleveren en voorkomt bovendien problemen met de Wet Hof.

Jean-Paul Schaaij, directeur PPSsupport Rijkswaterstaat (info@ppssupport.nl en www.ppssupport.nl)

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door auke Witteveen (zzp'er gespecialiseerd in treasury vraagstukken bij overheden) op
De reactie van de heer Schaaij is maar voor een klein gedeelte van de investeringen van toepassing. Daar waar het gaat om aanleg en/of onderhoud van wegen is dit een mogelijk alternatief. Een snelweg ligt er in principe voor eeuwig maar wegen binnen een gemeentegrens zeer zeker niet. Indien een DCBM overeenkomst wordt opgebroken door gewijzigd beleid dan is de gemeente de klos. Ik zie de boeteclausules en contract breuken al voorbij komen! Daarnaast is het nog maar zeer de vraag of dit voor gemeenten wel interessant is. Rijkswaterstaat werkt op kasbasis en decentrale overheden op baten en lasten.
Op het moment dat een gemeente geld uit de markt aantrekt kan zij zeer goedkoop vreemd vermogen aantrekken. Dit verlaagd de kostprijs van de burgers omdat deze rente een onderdeel vormt voor de doorbelasting. Op het moment dat een contractpartij financiering moet aantrekken dan betaalt de ondernemer een risico opslag wat kostprijsverhogend werkt voor de gemeente. Een decentrale overheid is qua schaalgrote van projecten niet te vergelijken met een Rijkswaterstaat en andere Rijksdiensten!

Het aantrekken van vreemd vermogen via de markt gaat veel extra geld kosten. Als een brandweerwagen of een dienstauto geleast moet worden dan is het logisch dat de rentefactor duurder is dan het zelf aantrekken van vermogen.

De wet hof is opportunistisch gedrag waarbij de werkelijke rekening in de toekomst ligt en de burger de rekening mag betalen!