Dijk van een Deltafonds
Voor uitvoering van het Deltaprogramma is ongeveer 1,7 miljard euro per jaar nodig tot 2100. Daartoe wil het kabinet een Deltafonds inrichten als begrotingsfonds. Vanaf 2020 stort het Rijk jaarlijks 1 miljard in het fonds. Vóór 2020 is financieel nog niets geregeld. Dat is zorgelijk voor een begrotingsfonds, want het tempo van uitvoering staat of valt met het daadwerkelijk gestorte rijksgeld. Zonder voeding geen investeringen. Met forse bezuinigingen in zicht is het onwaarschijnlijk dat de dekking alsnog wordt gevonden. Daarom is het verstandig om andere financieringsbronnen aan te boren.
Bijvoorbeeld, de provincies. Provincies zijn allereerst interessant om de magere jaren van het Rijk te overbruggen. Dankzij de privatisering van energiebedrijven zijn enkele provincies zeer vermogend. De publieke druk om dit vermogen aan te wenden voor maatschappelijk nuttige doeleinden neemt toe, zeker als Rijk en gemeenten (fors) moeten bezuinigen.
Investeringen in het Deltaprogramma, waar elke Nederlandse inwoner baat bij heeft, zijn een logisch, duurzaam alternatief, met een veel hoger maatschappelijk rendement dan een provinciale bankrekening in IJsland of elders. Een Deltafonds onder neutraal bestuur is voor de provincies een aanvaardbaar adres voor het aanhouden van kapitaal. Een technocratisch begrotingsfonds in Den Haag is dat niet. Provinciale investeringen in de Delta zijn bovendien een passend antwoord op de aanhoudende jacht van de minister van Financiën op provinciale vermogens.
De kapitaalmarkt biedt ook grote kansen. Institutionele beleggers en particuliere spaarders zoeken veilige investeringen met een solide rendement. Pensioenfondsen moeten hun dekkingsgraad op peil brengen na de forse verliezen van de kredietcrisis. Riskante investeringen in aandelen of commercieel vastgoed zijn ongepast. Een belegging in het Deltafonds, met overheidsgerelateerde projecten als onderlegger, voorziet in deze leemte.
Het particuliere spaarsaldo is ondanks de crisis zeer hoog. Maar het vertrouwen in aandelenbeleggingen is nihil. Spaarders houden nu nog grote voorzorgskassen liquide aan. Bij een (beginnend) herstel zal dit kapitaal een uitweg zoeken naar laagrisico-beleggingen op langere termijn. Het Deltafonds biedt die uitweg. Voor het particuliere spaarders is groen beleggen een prachtproduct. Per saldo is dat voor de overheid goedkoper dan zelf lenen op de kapitaalmarkt, omdat op groen beleggen een extra premie zit die de belastingderving overtreft. Spaarders willen graag investeren in de duurzaamheid van hun leefomgeving en waarderen elk belastingvoordeel.
Het Rijk kan het stuwmeer van particuliere groene spaargelden eenvoudig aanboren. Aanwijzen van het Deltaprogramma als duurzaam (maatschappelijke) project volstaat. Voor deze oplossing is een steviger fondsconstructie nodig dan het begrotingsfonds van Balkenende. Het Nationaal Groenfonds, neutraal gepositioneerd, geeft het goede voorbeeld, met de Ecologische Hoofdstructuur als het langjarige investeringstraject.
Voor grondaankopen van de overheid en particuliere natuuraanleg brengt het Groenfonds private middelen en overheidskapitaal al jaren succesvol bij elkaar. Den Haag staat terughoudend tegenover fondsen. Vooral Financiën heeft principiële bezwaren.
Voor het Deltafonds maakt het kabinet terecht een uitzondering, omdat het langjarige investeringen betreft die geen uitstel dulden. Maar de gekozen uitwerking, een begrotingsfonds, is ongelukkig. Daarmee doet de overheid zichzelf tekort. Zonder provincies, institutionele beleggers en particuliere spaarders komt het Deltafonds niet van de grond. Een Deltafonds op afstand van het Rijk biedt veel betere perspectieven.
Roelof Balk is directeur van Fondsenbeheer Nederland, onderdeel van de Rabo Vastgoedgroep. Van 1995 tot 2008 was hij directeur van het Nationaal Groenfonds.