Open Source
Interoperabiliteit vormt het kernbegrip in het actieplan en wordt door het kabinet benoemd als: ‘Het vermogen van (informatie)systemen om op elektronische wijze gegevens en informatie te kunnen uitwisselen binnen en tussen andere organisaties’. Volgens het kabinet is interoperabiliteit voorwaarde voor het bereiken van maatschappelijk relevante doelen. Je kunt hierbij direct denken aan de problemen in de jeugdzorg waarbij verschillende autonome instanties met de beste bedoelingen langs elkaar heen werken omdat zij niet in staat zijn informatie te delen. Andere voorbeelden zijn te vinden in het bestrijden van rampen en crisissen in binnen- of buitenland, of in het oplossen van toekomstige problemen in de zorgsector.
Helaas rept het rapport met geen woord over deze doelen. Het kabinet komt niet verder dan de constatering dat ‘zij het gebruik van open standaarden als norm stelt’ om interoperabiliteit te kunnen realiseren. Zij laat daartoe een basislijst aan (technische) open standaarden opstellen, maar voegt daar zelf in het actieplan alvast het gebruik van het ODF (open document format) als bestandsformaat toe (vergelijkbaar met PDF). Deze open standaard moet in de ogen van het kabinet in elk geval door alle overheidsorganisaties eind 2008 worden ondersteund. Welk maatschappelijk relevant doel dit dient wordt in het actieplan niet aangegeven.
Het actieplan spreekt verder een uitdrukkelijke voorkeur uit voor een specifieke soort software namelijk: open source software. Het kabinet definieert dit als software, waarvan de ‘broncode vrij beschikbaar is’ en waaraan geen licentiekosten verbonden zijn. De slotzin van het actieplan is daarbij veelzeggend: ‘Of open software voor een gebruiker duurder is of niet kan worden bepaald door een gedegen onderzoek naar alle relevante kosten, inclusief de juridische aspecten van licenties…(blz. 25)’. Blijkbaar is de keuze voor open source software gebaseerd op andere, voor de lezer weinig open argumenten.
De nota vermeldt niet welke gevolgen de keuze voor open software heeft voor het functioneren van de overheid in de samenleving. Het kabinet onderzoekt niet voor hoeveel Nederlandse kenniswerkers in de nog resterende Nederlandse software-industrie de keuze voor open software gevolgen kan hebben. Ook staat het kabinet er niet bij stil of en op welke schaal tientallen bedrijven met honderden misschien wel duizenden medewerkers aan de ontwikkeling van de Nederlandse kenniseconomie bijdragen door het voor eigen rekening en risico ontwikkelen, implementeren en beheren van afgeronde softwareproducten.
Waar ‘open standaarden’ een harde norm worden, kiest het kabinet niet echt voor open source software: Het gebruik van open source wordt door het kabinet krachtig gestimuleerd, maar niet als norm gesteld. De consequenties van deze stimulans, in de vorm van de hogere investeringskosten die hiervoor door overheidsinstellingen moeten worden gemaakt, legt het kabinet direct op het bord van betrokken overheidsinstelling.
Hoe goed het actieplan op dit punt is onderbouwd blijkt uit het gebruikte voorbeeld: ‘Modernisering GBA heeft de kern van een zelf ontwikkeld GBA systeem neergezet. De markt kan, doordat de code open was, zelf makkelijk aanvullingen ontwikkelen, wat ook de bedoeling is (blz. 25)’. Blijkbaar is de ‘interoperabiliteit’ van de informatievoorziening tussen de verschillende departementen op dit vlak niet zo goed, aangezien op dit terrein door de VNG op 23 augustus in een brief aan staatssecretaris van BZK wordt geconstateerd: ‘Inmiddels is duidelijk geworden dat het programma mGBA is vertraagd en kampt met te verwachten financiële overschrijdingen’.
Ben van Lier

Reactie op dit bericht