Overheid moet centraal van koers veranderen
Wanneer we als overheid qua ICT-dienstverlening echt de voorgenomen verbeterslagen willen gaan maken is het wenselijk om centraal van koers te kunnen veranderen in plaats van dit aan alle lokale eenheden over te laten.
In ons Nederlandse bestuurlijke bestel hebben wij een verticale spreiding van macht tussen ondermeer het Rijk, provincies en gemeenten. Het is nog steeds de Grondwet uit 1848 die de basis is voor dit huidige bestuurlijke stelsel. Daarom wordt het ook wel het Huis van Thorbecke genoemd.
Binnen de Nederlandse overheid wordt de inzet van ICT steeds belangrijker. ICT biedt nieuwe mogelijkheden om de dienstverlening richting burgers en bedrijven te verbeteren. In het rapport van de Commissie Jorritsma uit 2005 is beschreven hoe publieke dienstverlening in 2015 er uit zou moeten zien. Conclusies uit dit rapport zijn dat je bij de overheid makkelijk informatie moet kunnen vinden en dat je er goed geholpen moet worden. En dat je als afnemer géén last mag hebben van het feit dat de overheid is opgedeeld in verschillende bestuurlijke eenheden. Slimme inzet van ICT is daarbij noodzakelijk. Maar wie bepaalt er wat slim is? En hoe ga je om met de relatieve autonomie van die verschillende bestuurslagen?
Om de ontwikkelingen binnen de overheid beter op elkaar af te kunnen stemmen is in 2006 de eerste versie verschenen van de Nederlandse Overheids Referentie Architectuur, NORA. Als een van de belangrijkste voorwaarden voor een goed functionerende overheid wordt daarin ‘interoperabiliteit’ genoemd. Door standaardisatie, onder andere van gegevensuitwisseling, kan dienstverlening klantgericht worden gebundeld en kunnen aanwezige gegevens binnen de overheid worden herbruikt.
De overheid moet daarvoor de beschikking hebben over een goede basisinfrastructuur. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hebben zich daarom verbonden aan het Nationaal UitvoeringsProgramma dienstverlening en E-Overheid, kortweg: het NUP. De kern van het NUP bestaat uit negentien ‘bouwstenen’ voor een gezamenlijke basisinfrastructuur van de elektronische overheid, zoals bijvoorbeeld de basisregistraties en de digitale inlogcode DigiD. Hoewel iedereen nut en noodzaak hiervan inziet valt de implementatie en het in gebruik nemen van de bouwstenen niet mee. De onlangs gehouden Gateway NUP review concludeert ondermeer dat er veel meer ondersteuning van deelnemers nodig is bij de implementatie. De gesignaleerde en in de toekomst te verwachten invoeringsproblemen kunnen inderdaad met meer ondersteuning worden verkleind, maar de vraag blijft of ze daarmee echt worden opgelost.
Is het wel mogelijk om via de huidige methode te groeien naar één qua ICT voorzieningen geïntegreerde overheid? Er zijn honderden partijen bij betrokken die allemaal zelf verantwoordelijk zijn voor het realiseren van aansluitingen op die groeiende basisinfrastructuur. De binnen de Nederlandse overheid beschikbare kennis en middelen zijn beperkt. Veel gemeenten zijn daarom al begonnen met het zoeken naar alternatieven door samenwerkingsverbanden aan te gaan of door zich te verlaten op een vaste van samenhangende ICT-toepassingen.
Gemeenten hebben autonomie nodig om waarde toe te kunnen voegen voor hun burgers, om zich te kunnen onderscheiden van andere gemeenten en om het eigen karakter in hun taakuitoefening en dienstverlening tot uitdrukking te laten komen (Rapport Wil tot Verschil/Commissie Bovens). Het leveren van standaardproducten en het inregelen van daarbij benodigde ICT-voorzieningen zijn geen zaken waarmee gemeenten zich onderscheiden. Waarom dan niet zorgen dat overheidspartijen eenvoudig gebruik kunnen gaan maken van centraal aangeboden voorzieningen? In plaats van ‘alle (voorzieningen) voor een (deelnemer)’ vaker gaan werken volgens het “een (voorziening) voor alle (deelnemers)” principe. Eén goede landelijke voorziening voor allen voorkomt dat er met horten en stoten op honderden plaatsen eigen applicaties en aansluitingen nodig zijn.
Een voorbeeld van die een-voor-alle-benadering was de centraal beheerde e-Formulierenvoorziening voor gemeenten (die helaas gestopt is in plaats van doorontwikkeld). Een actueel voorbeeld vormt het in ontwikkeling zijnde omgevingsloket online (OLO) dat de eenduidige intake voor de aanvrager biedt en door alle bij een omgevingsvergunning betrokken partijen gebruikt kan worden.
Maar het een-voor-allen-principe kan nog grootschaliger toegepast worden. De locatie van betrokken hard- en software wordt immers steeds minder van belang. De noodzaak om ICT-voorzieningen in eigen huis te hebben is in rap tempo aan het verdwijnen. Het is geen vraag meer óf je vaker voorzieningen buitenshuis gaat gebruiken, maar wanneer je dit gaat doen. Door deze toename van werken met “services” worden een aantal lopende overheidsdiscussies ook overbodig. Waarom zou een landelijk portaal als MijnOverheid.nl niet prima naast lokale portalen, zoals een MijnGemeentepagina, kunnen bestaan wanneer ze gebruik maken van dezelfde herbruikbare gegevens?
Een ander moeizaam verlopend overheidsproject, de modernisering van de Gemeentelijke Burgeradministratie, GBA, zou in dit licht ook anders aangepakt kunnen worden. Begin jaren 90 was de automatisering van de GBA een goed voorbeeld van hoe je als overheid via standaardisatie zaken landelijk kon regelen. Maar waarom nu, bij de al jaren durende modernisering, nog steeds voortborduren op die oude architectuur? Waarom zou iedere gemeente nog steeds zijn inwonergegevens bij moeten houden via een eigen applicatie met lokale gegevensopslag? Er is notabene al een landelijke registratie met daarin de gegevens van alle inwoners.
Gebruik maken van centraal aangeboden voorzieningen kan vele malen betrouwbaarder en goedkoper zijn. En het realisatietempo kan omhoog als niet alle deelnemers decentraal voorzieningen en aansluitingen moeten realiseren. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat centrale voorzieningen kwalitatief goed moeten zijn. Dit blijkt nu helaas nog niet altijd het geval. Waar DigiD voor burgers een voorbeeld is van een succesvolle centrale aanpak, vormt het geharrewar rondom DigiD voor bedrijven een voorbeeld van hoe het vooral niet moet. Binnen een een-voor-allen-benadering moet dat beter. Veel beter. En dat mag, nee móet als het nodig is, meer kosten dan nu het geval is. Bij goede kwaliteit betalen de baten zich immers in honderdvoud terug.
Verdwijnt hiermee dan ook een deel van de beslissingsbevoegdheid van gemeenten? Ja zeker. Op deelterreinen wordt autonomie ingeleverd. Maar het gaat daarbij niet om onderwerpen die spannend zijn voor een gemeente. Flexibiliteit bieden kan, zoals via het Huis van Thorbecke wordt aangetoond, via decentralisatie. Maar wanneer we als overheid qua dienstverlening echt de voorgenomen verbeterslagen willen gaan maken is het wenselijk om centraal van koers te kunnen veranderen in plaats van dit aan alle lokale eenheden over te laten. De tijd lijkt rijp om de allen-voor-een-benadering te gaan vervangen door een pragmatische een-voor-allen-benadering.
Ad Gerrits
Reactie op dit bericht
De (elektronische) dienstverlening van de overheid strekt zich uit over honderden zelfstandige organisaties (waaronder 431 gemeenten, 12 provincies, 27 waterschappen ,13 ministeries, belastingdienst, kadaster etc.).
Willen we de elektronische dienstverlening verbeteren en het NUP tot een goed einde brengen dan zullen we moeten kiezen; minder overheid(s-instanties) of meer (daadwerkelijke) regie. Dat eerste zie ik nog niet gebeuren en de vraag is ook of we dat moeten willen. Het huis van Thorbecke hoeft niet ter discussie te staan.
Wat anders is het met daadwerkelijke regievoering. Daar ontbreekt het aan.
Afstemming van dienstverleningsconcepten is lastig maar -zeker als we het beperken tot de elektronische dienstverlening- wel haalbaar. Grotere uitdagingen liggen kennelijk in de afstemming van de informatiearchitectuur en de prioriteitsstelling. Alle gemeenten kennen een eigen informatiearchitectuur die vaak vanuit het verleden is gegroeid. Standaardisatie over de overheidsinstanties heen is noodzakelijk om de elektronische overheidsdienstverlening vorm te geven. De weg naar standaardisering vergt harde afspraken en voorschriften. Concepten als Gemma zijn daarin onvoldoende richtinggevend. Gemeenten zitten te wachten op daadwerkelijke regie. Een beetje meer voorschijven op het gebied van de informatiearchiectuur kan echt geen kwaad. (We zien nu weer een probleem ontstaan bij de oplevering van het Omgevingsloket Online, waardoor de WABO waarschijnlijk weer uitgesteld gaat worden.)
Andere uitdaging ligt in het feit dat we onvoldoende focussen op zaken die we gezamenlijk op moeten pakken. Aan goedbedoelde initiatieven geen gebrek. Wie wat wil weten over de e-dienstverlening kan terecht op tientallen websites zoals nupmonitor.nl, routeplanneregemeente.nl, landkaartene-overheid.nl, noiv.nl, monitor.overheid.nl, ictu.nl, antwoord.nl, kinggemeenten.nl etc. etc.
Veel gemeenten zien als gevolg van alle ontwikkelingen door de bomen het ICT-bos niet meer. Komt uiteraard bij dat in een tijd van bezuinigingen de bestuurlijke gemeentelijke prioriteiten op andere zaken worden gelegd, dat is logisch.
Overigens zal een daadwerkelijke regie op de ICT ontwikkelingen in overheidsland aanzienlijke besparingen op kunnen leveren.
Er is op het vlak van regie werk aan de winkel.
VNG (KING) mag die handschoen voor gemeenten oppakken.
Hoe dan om te gaan met deze ogenschijnlijke spagaat? Zorg dat die centrale voorzieningen de mogelijkheid bieden voor eigen inkleuring op basis van de eigen beleidskeuzes. Dit kan door het aanbieden van cafetaria-modellen, waarbij een gemeente invulling geeft aan het eigen beleid door een verordening en bijbehorende diensten samen te stellen. Binnen VNG is hier al een proefneming mee gedaan. Ook differentiatie vanuit het bestaande beleid kan ondersteund worden indien de verschillen niet te groot zijn en de IT-voorzieningen in staat zijn per gemeente afwijkende logica af te handelen. Binnen Wigo4IT wordt dit al gedaan voor de regelgeving op het vlak van Werk & Inkomen voor de G4.
Dit vergt enerzijds dus voorzieningen die in staat zijn afwijkende regels uit te voeren, maar anderzijds ook de methode, technieken en hulpmiddelen om die afwijkende regels gestructureerd boven tafel te krijgen (inzicht, vergelijking en afstemming over de per gemeente geldende logica) en door te vertalen naar die flexibele IT-voorzieningen. Wat dat betreft sluit de uitdaging die dan voorligt in 'technische' zin aan bij de uitdagingen die verzekeringsmaatschappijen hebben met de uitvoering van de honderden productvarianten die ze hebben.
Een pragmatische een-voor-allen-benadering hoeft dus niet te leiden tot eenheidsworst, waarin gemeenten zichzelf niet meer herkennen.