Kinddossier wéér over andere boeg
Er komt niet langer één groot elektronisch kinddossier (EKD). De ontwikkeling van een gemeenschappelijk, landelijk digitaal systeem waarin alle organisaties in de jeugdgezondheidszorg (JGZ) hun gegevens op het gebied van de lichamelijke en sociale ontwikkeling van kinderen kunnen opslaan, is van de baan. Minister André Rouvoet voor Jeugd en Gezin schreef dat dinsdag in een brief aan de Tweede Kamer. In plaats daarvan moeten de JGZ-instellingen zelf hun bestanden digitaliseren, waarbij ze ieder voor zich met leveranciers kunnen onderhandelen over wat 'hun' EKD allemaal moet kunnen vastleggen. Het streven is wel dat onderling informatie kan worden uitgewisseld, met behulp van een nog te ontwikkelen landelijk 'kopsysteem'. Hoe dat kan gaat de minister onderzoeken. Hij hoopt daar medio volgend jaar uitsluitsel over te kunnen geven.
Eigen dossier
Tot de ontwikkeling van een elektronisch kinddossier werd drie jaar geleden besloten. In eerste instantie was het de bedoeling dat instellingen hun eigen dossier ontwikkelden, met een aantal standaardfunctionaliteiten om uitwisseling mogelijk te maken. Begin 2006 werd toch besloten het over een andere boeg te gooien en voor een landelijk systeem te kiezen. Dit naar aanleiding van een rapport van Het Expertisecentrum (HEC), waarin het beleid totdantoe werd gekraakt. Zo zou er geen goede visie zijn op de inhoud van het dossier.
Vergelijkbare kritiek is nu, twee jaar later, terug te vinden in een rapport van PriceWaterhouse-Coopers waarop minister Rouvoet mede zijn huidige besluit baseert. Zo staat daarin te lezen dat een bruikbare definitie van een EKD nog altijd ontbreekt: 'Het "EKD" waar "alles" in zit en waarbij "geen kind buiten beeld raakt" kan mogelijk in het spraakgebruik tussen actoren in het veld leiden tot wederzijds volledig begrip; het is echter geen basis voor het ontwerpen van een formeel informatiesysteem of stelsel.' Daarbij vragen de onderzoekers zich af of het technisch wel mogelijk is om zo'n groot systeem te bouwen. Ook achten zij het lang niet zeker dat het mogelijk is een goed functionerend 'kopsysteem' te maken. Hiervoor zou eerst gedegen onderzoek nodig zijn, voordat er verdere stappen worden ondernomen.
Een ander punt is welke instanties precies het dossier mogen gaan gebruiken. In eerste instantie zouden dat alleen de JGZ-instellingen en verloskundigen zijn, maar vanuit de Tweede Kamer en gemeenten was aangedrongen op uitbreiding. Ook onder meer huisartsen, bureaus Jeugdzorg en de Jeugd-GGZ zouden gegevens moeten kunnen inzien en toevoegen. Hierover schrijft Rouvoet dat dat 'op dit moment' niet mogelijk en wenselijk is, en als het gebeurt, dan 'niet eerder dan alleen op de langere termijn'. Hij denkt aan een systeem waarbij vaststaat wie, welke berichten mag lezen, maar ook daarvoor is eerst een haalbaarheidsstudie nodig.