Je plaats kennen
Indertijd vond ik het belachelijk, zowel de uitdrukking als het feit dat ik moest wachten. Ik was toch het centrum van de wereld?
Nu ik ouder en wijzer ben, snap ik wel dat ze dat zei. Al vind ik het nog steeds een vervelende uitdrukking. Paternalistisch, beetje respectloos.
Onlangs was er bij De Wereld Draait Door een item over het feit dat een presentatrice een programma niet mag presenteren omdat ze een verhouding heeft met Bram Moszkowicz, de advocaat. De hoofdredacteur had besloten dat er een belangenverstrengeling dreigde als ze de advocaat zou interviewen, wat een reële mogelijkheid was.
Beetje vergezocht, leek mij. Als dat echt een probleem zou zijn, kon je toch een andere interviewer Moszkowicz laten interviewen? Chazia Mourali, die aan de discussie bij DWDD meedeed, vond dat onmogelijk. Een rechter kun je nog wel van een zaak halen en vervangen, vond ze, maar een journalist niet.
Ik was licht verbijsterd. En toen, spontaan, schoot de uitdrukking van mijn moeder me te binnen. ‘Je moet wel je plaats kennen’. Blijkbaar zijn de media zo overtuigd van hun eigen belangrijkheid, dat ze zichzelf van een hogere orde vinden dan een rechter.
Heb ik iets gemist?
Onlangs heeft Nick Davies, een Engelse journalist, een boek geschreven over het functioneren van de media in Engeland, ‘Gebakken Lucht’. De auteur constateert daarin op uitvoerige wijze dat door de bezuinigingen en kostenreductie bij uitgeverijen, de productie van journalisten vele malen hoger is dan voorheen.
Tegenwoordig schrijft de gemiddelde journalist wel tien artikelen op een dag, voorheen waren dat er drie. Als je zoveel stukken moet schrijven, heb je weinig tijd meer voor het onderzoeken van feiten, het doen van hoor en wederhoor, het journalistieke handwerk. Je neemt als journalist klakkeloos over wat de persbureaus aanleveren en wat er in persberichten staat. Gevolg: eenzijdige berichtgeving, in hoge mate gestuurd door pr-mensen en voorlichters. Ik denk dat hetzelfde mechanisme de Nederlandse journalistiek heeft getroffen.
De nieuwsselectie bij veel Nederlandse media is daarnaast alleen gericht op het verkrijgen van zo veel mogelijk lezers, kijkers of luisteraars. De enige reden dat de Telegraaf spijt heeft betuigd van haar berichtgeving over het jongetje Ruben, dat de vliegtuigramp in Libië overleefde, is dat ze er duizend abonnees mee heeft verloren. Een commerciële inschattingsfout, geen morele of journalistieke.
Jan Blokker stelt in zijn boek ‘Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek’ dat Nederlandse journalisten altijd met minachting hebben neergekeken op nieuwsjagers en persmuskieten. Een beetje journalist is uit op macht en invloed, meer bezig met het verkondigen van de juiste leer (Rooms, Rood of Liberaal) dan op het bewaken van het democratische systeem.
Blokker stelt dat het de Nederlandse kranten en dus ook de journalisten altijd meer is gegaan om het beschrijven van een gewenste, nastrevenswaardige werkelijkheid, dan een bestaande.
Dit alles roept genoeg fundamentele vragen op waar de Nederlandse journalistiek zich eens over zou mogen buigen. Lijkt mij belangrijker dan de discussie bij DWDD wie de partner is van welke presentator of presentatrice.
Paul Lensink


