Nationaal gevoel
Toen Bolivar en San Martin in de vroege negentiende eeuw Zuid-Amerika bevrijdden van de Spaanse overheersing, droomden ze van een verenigd Zuid-Amerika: één federale staat naar Noord-Amerikaans voorbeeld. In staat om, met acceptatie van de regionale verschillen, een krachtige rol te spelen op het toneel van de wereldpolitiek. Uitgerust om tegenwicht te bieden aan die andere wereldmachten. Lang heeft dat niet geduurd. Al heel snel ontstonden er nieuwe staten, min of meer op basis van de administratieve indeling zoals de Spaanse overheerser die eeuwenlang hanteerde. Het leidde tot, om de Peruviaanse schrijver en politicus Mario Vargas Llosa te citeren, "kunstmatige en willekeurige grenzen, het gevolg van oekazen uit de koloniale tijd". Vargas Llosa ziet deze "opgedrongen balkanisering" van Zuid-Amerika zelfs als een van de belangrijkste redenen voor het vooral op economisch gebied achterblijven van dit continent.
Hoewel de landen van Zuid-Amerika in principe dus volstrekt onlogisch tot stand zijn gekomen, doet dat niets af aan de gloed waarmee hier het nationalisme vorm krijgt. Meestal volstrekt onzichtbaar voor Europa hebben zich met name in de negentiende eeuw vele bloedige oorlogen tussen buurlanden voorgedaan. Sommige zijn zelfs officieel nog niet eens afgelopen. Zo zijn Bolivia en Chili het nog immer oneens over de wijze waarop in 1880 (!) de Salpeteroorlog tussen beide landen is beslecht. Die oorlog leidde ertoe dat Bolivia zijn kuststrook aan Chili moest afstaan, waardoor het land sindsdien verstoken is van een directe toegang tot de Stille Oceaan. Bolivia heeft zich nog steeds niet bij deze uitkomst neergelegd, wat mag blijken uit het feit dat het land nog immer, zij het op papier, beschikt over een eigen marine.
Argentinië en Chili zaten elkaar enkele jaren geleden nog in de haren over het eigendom van enkele luttele eilandjes in de buurt van vuurland. Dat conflict werd bijgelegd door tussenkomst van de paus. Beide landen zijn nu nog slechts met elkaar in strijd verwikkeld over de vraag wie van de twee zich de uitvinder mag noemen van de empanada, het vleespasteitje dat in beide landen tot het culinair erfgoed behoort, maar waarvan het geestelijk eigendom nog geenszins vaststaat. Peru en Chili voeren eenzelfde strijd, maar dan met de ontstaansclaim op het sterke drankje pisco. En ieder gehucht in Argentinië heeft een straat die vernoemd is naar Las Malvinas, want dat de Falklandeilanden onvervalst Argentijns zijn, staat voor niemand ter discussie.
Waar wij een canon nodig hebben om de schooljeugd aan onze eigen geschiedenis te herinneren, gebruiken ze in Buenos Aires de muren van de metrostations om iedereen de hoogtepunten uit de moderne geschiedenis mee te geven. Iedere slag die tegen de Spanjaarden - of willekeurig welke andere vijand - is gevoerd, krijgt hier een eigen straat en een eigen metrostation, inclusief verduidelijkend tegeltjestableau. En in de kathedraal van Salta, in het noordwesten van Argentinië, is de eerste kapel na binnenkomst niet gewijd aan Nossa Senhora del Pilar, maar aan de helden uit de strijd om het noorden, die daar met veel vlagvertoon zijn opgebaard. Hoezo scheiding tussen kerk en staat?
En dat in een land waar je nog dorpen tegen komen waar de hele bevolking Welsh spreekt, waar er gebieden zijn waar je je in Zwitserland waant, waar je steden hebt die eerder in het Zwarte Woud lijken te passen dan in een berggebied in Zuid-Amerika en waar in grote steden iedere etnische groep - Italianen, Armeniërs, Libanezen, Spanjaarden - nog zijn eigen sociale club heeft. Toch voelen al die Argentijnen zich in de allereerste - en misschien wel enige - plaats Argentijn. Toegegeven, ze hebben er bijna twee eeuwen over gedaan, maar het schijnt dus wel te kunnen.
Ad Burger


