He bàh, de burger centraal
Hoeveel waardering ik ook heb voor alle aandacht die de ombudsman vraagt voor het geconstateerde probleem, zijn oplossing is een dooddoener van jewelste. Blijkbaar herkent hij niet de achterliggende mechanismen in het overheidssysteem. Het is eigenlijk een staatsrechtelijk probleem. Onder staatsrecht versta ik: het recht dat betrekking heeft op de organen van de staat, op de instelling ervan, hun bevoegdheden, hun verhouding tot elkaar en die tot de burgers. In dat staatsrecht is niets opgenomen over samenwerking, dienstverlening of het centraal stellen van de burger. En daarom gaat het mis.
Dat klinkt als een wat formalistische en flauwe juridische redenering, maar Nederland is georganiseerd zoals het staatrecht dat vastlegt. Met onder andere een kabinet met ministers met bevoegdheden voor een bepaald beleidsterrein, en niet voor een bepaalde groep burgers. En daaraan gekoppeld ministeries en uitvoeringsorganisaties die ondersteuning en uitwerking geven aan de bevoegdheden van en minister.
De ellende begint in Den Haag, bij de ministers en ministeries. Belangrijke taken voor ieder ministerie zijn: de begroting op orde hebben, de minister ondersteunen bij zijn optredens naar het parlement en in de media, het aansturen van de uitvoeringsorganisaties en nieuw beleid ontwikkelen. Het doordénken van de effecten van één beleidsmaatregel op de individuele burger, is een afgeleid onderwerp. Laat staan dat we in Den Haag nadenken over de effecten van een groot aantal maatregelen waarmee de burger wordt geconfronteerd. Dat behoort niet tot de taken van de ministers en ministeries. De beleidsmedewerkers worden er niet voor opgeleid en hebben er geen ervaring mee.
Daarnaast vinden de Haagse beleidsmakers het sexy om over grote systeemvraagstukken na te denken (WMO, decentralisatie bijstand, marktwerking in de zorg, toezicht op de financiële markten etc). In de Haagse beleving is het doordénken van het effect van een maatregel op de burger meer een uitvoeringsvraagstuk dan een strategisch vraagstuk. Dus laten we het maar een beetje links liggen. Hè bàh, de burger, wat moeten we daar nu toch weer mee…
De organisaties die wél dagelijks met die burger te maken hebben, de uitvoeringsorganisaties zoals UWV, CIZ en de Belastingdienst, hebben een specifieke taak meegekregen. Het is al lastig genoeg om die op orde te krijgen. UWV-voorzitter Joop Linthorst vertelde onlangs heel trots in de Volkskrant dat de klanttevredenheid voor zijn organisatie gestegen is tot 6,8. Terwijl die chronisch zieke klant die hij helpt met een Wajong-uitkering, óók bij allerlei andere instanties zoals de gemeente of het CIZ terechtkomt, waar ze ongeveer dezelfde (medische) informatie nodig hebben die het UWV wel heeft, maar niet vrijgeeft. Zodat de klant dezelfde medische keuring nog een keer moet ondergaan. Terecht dat die klant ontevreden is over de overheid als geheel.
De constatering van de Ombudsman dat geen enkel overheidsorgaan zich verantwoordelijk voelt voor het geheel, is juist. Zijn suggestie om dan maar een loket op te richten waar de verdwaalde burger terecht kan, is onzin. Dat loket, dat is hij zelf.
Wil je echt iets veranderen, dan moeten we toe naar een nieuwe inrichting van het overheidssysteem, opgebouwd vanuit het perspectief van groepen burgers met eenzelfde soort sociaal of economisch profiel. Eerste pogingen daartoe worden gedaan, bijvoorbeeld met het ministerie van Jeugd en Gezin. Of dat werkelijk helpt, zullen we aan het eind van deze kabinetsperiode weten.
Paul Lensink


