of 59045 LinkedIn

Positie van burger onder omgevingswet wordt juist versterkt

Arjan Nijenhuis 2 reacties

De rechtsbescherming van de burger onder de omgevingswet zou slechter uitpakken, zo betoogt Daniëlla Nijman in haar recente column. Ik denk dat niet. Integendeel zelfs.

Rechtsbescherming versterkt de positie van de burger ten opzichte van de overheid. Die positie moet in brede zin worden opgevat. Dan is zowel de ‘voorkant’ van besluitvorming als de ‘achterkant’ ervan in beeld. Juristen denken bij rechtsbescherming vooral aan de achterkant: bezwaar en beroep. Andere disciplines en politici gebruiken de term rechtsbescherming meestal in bredere zin: de positie van de burger, waarbij ook burgerparticipatie  aan de voorkant van belang is.

Het lijdt naar mijn mening geen twijfel dat de positie van de burger (en bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties e.d.) onder de Omgevingswet wordt versterkt. De integrale afweging die in het wetsvoorstel een centrale plaats inneemt borgt dat van meet af aan alle relevante belangen in onderlinge samenhang op tafel liggen. Op gemeentelijk niveau spelen straks de integrale omgevingsvisie en het verplichte integrale omgevingsplan een rol. Belangen rond gezondheid, veiligheid, geluidhinder – zaken die voor burgers belangrijk zijn – worden van begin af aan meegewogen.

Daarmee samenhangend  is de burgerparticipatie voor burgers van groot belang. De  Omgevingswet stelt die participatie bij projectbesluiten voor grotere projecten verplicht. Bij besluitvorming in ander verband, bijvoorbeeld bij omgevingsvisie en omgevingsplan, wordt de participatie van alle betrokkenen stevig gestimuleerd. Het is een kwestie van bestuurscultuur, waar we met VNG, IPO, Unie van Waterschappen, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties in het implementatietraject ruim aandacht aan schenken. Ook bij diverse projecten onder het stimuleringsprogramma Nu al Eenvoudig Beter speelt burgerparticipatie aan de voorkant een belangrijke rol. Bij de totstandkoming van besluiten, plannen en visies wordt de positie van de burger een stuk sterker.

En aan de achterkant? Laten we inzoomen op het omgevingsplan: allereerst wijs ik er op dat vergroting van bestuurlijke afwegingsruimte  niet betekent dat een gemeente voor haar hele grondgebied de boel kan opengooien. Zo bevatten de Amvb’s waar we nu aan werken allerlei normen waar gemeenten (en andere overheden) zich aan moeten houden. Voor kwetsbare gebieden, bijvoorbeeld beschermde stadsgezichten, zal de gemeente uit eigen beweging gedetailleerde en harde normen willen opnemen. Voor gebieden waar de gemeente flexibiliteit wil, kan zij globaal aangeven wat zij daar mogelijk wil maken.

Globale functies passen goed in de ontwikkeling naar uitnodigingsplanologie. Door de verbrede reikwijdte van het omgevingsplan kan zij echter aan die globale functies harde normen verbinden. Als een omgevingsplan voor een voormalig bedrijventerrein allerlei functies toestaat, inclusief bedrijvigheid, kan het plan daar normen aan verbinden voor geluidhinder, externe veiligheid en dergelijke. Als in later jaren zich ontwikkelingen voordoen – een nieuw bedrijf, aanpalende woningbouw – dan wordt zo’n bouwvoornemen getoetst aan die normen uit het omgevingsplan.

Flexibiliteit en rechtszekerheid kunnen dus hand in hand gaan en hoeven niet per se elkaars tegenpolen te zijn. En het is ook aan de burger om bij de totstandkoming van het omgevingsplan datgene in te brengen wat voor hem of haar relevant is. Tegen het omgevingsplan staat vervolgens beroep open in de volle breedte. Dus straks ook tegen die onderdelen die nu in gemeentelijke verordeningen staan en daarom niet voor beroep vatbaar zijn.

Het is voor de burger van belang dat het stelsel straks eenvoudiger en inzichtelijker is. Geen tegenstrijdige regels meer en makkelijk te vinden wat er voor zijn percelen geldt. Al met al is de burger straks een stuk beter af, vooral als hij met maatschappelijke organisaties de kansen grijpt die burgerparticipatie biedt. Om in de zelfde sfeer te eindigen: de burger krijgt een stevige plek op het speelveld.
 

Arjan Nijenhuis, plv. directeur Eenvoudig Beter, ministerie Infrastructuur en Milieu

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Frank van Unen (Zelfstandig Adviseur Ruimtelijke Qualiteit) op
Beste Arjan,
In je artikel stel je dat je de bezwaren van Daniëlla Nijman weerlegt, maar mijn indruk is dat je die in feite onderschrijft.

Je stelt in je derde alinea dat alle relevante belangen door de overheid worden meegewogen, dus ook die van de burger. Maar je vertelt niet hoe de overheid die burgerbelangen kent of hoe de burger die kan inbrengen. Misschien heeft de burger een ander idee over zijn belangen dan de overheid denkt. Hoe zit dat?

Je vervolgt dat bij grote projectbesluiten de burgerparticipatie verplicht is. OK, daar is blijkbaar aan gedacht, al ben ik dan wel benieuwd naar hoe die is geregeld en hoe die in de praktijk uitpakt. De ervaringen van Flip ten Cate zijn helaas maar al te herkenbaar.
Maar je vervolgt met "stevig gestimuleerd". Dat kan natuurlijk heel gemakkelijk een dode letter worden. Als een gemeente tijd- of geldgebrek heeft, of even niet zit te wachten op inbreng van burgers, dan wordt er dus niet geparticipeerd, begrijp ik.

Die positie van de burger wordt dus, als ik het goed lees, alleen maar sterker voor zover de overheden daar zelf ruimte voor geven. Zo verwordt participatie van een recht tot een privilege. Dat lijkt me niet de juiste weg.

En de afwegingsruimte spreekt ons allemaal in eerste instantie aan. Eindelijk kun je als bestuur eens wat meer vrijheid nemen in het toestaan (of tegenhouden?) van een ontwikkeling. Maar zoals Daniëlla Nijman zegt: ruimte impliceert onzekerheid. Ook ik heb in een bijeenkomst wel eens gevraagd welke instrumenten er nou in de wet worden opgenomen om deze tegenstelling te kunnen hanteren. Daarop heb ik nooit een helder antwoord gekregen, behalve dat de bestuurscultuur wordt aangepakt. Wat ik een zwak antwoord vind dat te veel op vrijwilligheid en goede bedoelingen is gebaseerd.

De oude wetten hadden strikte normen: daarmee werd de rechtszekerheid geregeld. Als je van die strikte normen af wilt om afwegingsruimte te scheppen kun je niet volstaan met de normen te verlagen. Dat leidt tot verlaging van het niveau waarop dezelfde rechtszekerheidsdiscussies worden gevoerd als nu. Ik neem aan dat dat niet de bedoeling is van de Omgevingswet. Maar hoe wordt het dan wel geregeld? Daar zijn wij inmiddels allemaal heel nieuwsgierig naar. En normen loslaten leidt tot willekeur. Dat is hetzelfde als de wet afschaffen. Dat is ook niet de bedoeling.

Ik denk dat er een afwegingsmethodiek moet worden toegevoegd. Eentje die je de mogelijkheid geeft zaken op een transparante manier tegen elkaar af te wegen, een methode die burgers de kans geeft te reageren, ook inhoudelijk en ook juridisch.
En ik denk dat je een heldere procedure moet toevoegen waarin burgers in een vroeg stadium op een gelijkwaardige manier hun inbreng kunnen doen, maar waarbij ook achteraf een goede juridische strijd is te voeren. Want bij participatietrajecten is er één ding dat heel vaak mis loopt: degene die niet in het voortraject is betrokken, ofwel omdat hij niet op de hoogte was, ofwel omdat hij bewust is weggebleven, duikt aan de achterkant alsnog op met bezwaren. En het is niet leuk voor de overheid en ook niet voor de initiatiefnemer, maar ook die mensen moeten een goede positie krijgen in het proces.
Want uiteindelijk is de overheid er voor de burgers en niet voor zichzelf en ook niet voor de initiatiefnemer.

Dus dit is mijn dringende verzoek aan de minister: regel het goed, anders loopt het mis. En dat zou jammer zijn van de mooie intenties van de Omgevingswet waar we allemaal wel achter staan.
Door Flip ten Cate (directeur Federatie Ruimtelijke Kwaliteit) op
Je zal maar, zoals ik, wonen in een gemeente die je niet als co-creator beschouwt, maar als tegenstander. Waarschijnlijk woon je ook in zo'n gemeente - ze zijn ruim gezaaid. Zo'n gemeente die zich aan de minimale publicatieplicht over bestemmingsplan- en beleidswijzigingen houdt, maar bij een controversieel plan de bekende kritische omwonenden niet gericht apart informeert, want "we gaan toch zeker niet onze eigen weerstand organiseren", zoals mij deze week werd gezegd. Een gemeente die de toegang tot de welstandscommissies voor architecten afsluit tot het wettelijk verplichte toetsmoment, zodat er alleen nog maar ergernis kan ontstaan. Die informatieavonden over bestemmingsplannen organiseert, waar je afgehamerd wordt als je een opmerking plaatst: "dat is geen vraag".
Daar waar beleidsregels met afwegingsruimte bestaan, staat een burger bij de rechter erg zwak. De enige slagingskans is bezwaar tegen een procedurefout, want inhoudelijk heb je geen poot om op te staan, en zelfs procedurefouten worden via de bestuurlijke lus simpel gerepareerd.
Ik juich de Omgevingswet toe, maar ik vind dat Danielle Nijman wel een punt heeft, en alleen een radikaal en intensief programma vanuit de rijksoverheid ter verbetering van de bestuurscultuur en de ambtelijke houding kan de weegschaal laten doorslaan in het gelijk van Arjan Nijenhuis. Als dat programma niet een absolute prioriteit krijgt - ook buiten de afdeling Eenvoudig Beter van het ministerie I en M - en aanslaat in alle gemeentehuizen, dan zou de Omgevingswet wel eens rampzalige gevolgen kunnen hebben voor de bewonersparticipatie die door iedereen zo gewenst wordt.

Flip ten Cate