of 58959 LinkedIn

Europees waterbommetje onder PAS en Omgevingswet

Fred Kistenkas Reageer

Na een recente uitspraak van het Europese Hof over de Kaderrichtlijn Water is het opeens zeer de vraag of we de veelgeprezen Programmatische Aanpak nog wel als Haarlemmer  olie voor  het vlot verlenen van water – en natuurvergunningen kunnen zien.

In Nederland worden op basis van de Waterwet watervergunningen getoetst aan algemene waterplannen. De Waterwet kent naast ‘strategische waterplannen’ ook nog waterplannen die ook wel ‘beheerplannen’ worden genoemd. Daarin neemt de waterbeheerder compenserende maatregelen op in verband met allerlei ingecalculeerde vervuilende handelingen. Zo’n waterplan is in wezen dus al een vorm van programmatische aanpak avant la lettre zoals we die nu sinds kort ook kennen voor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (Programmatische Aanpak Stikstof). Zo meenden we bij individuele vergunningverlening via algemene waterplannen aan de waterkwaliteitsnormen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) te voldoen.
 

Watervergunningen werden dus niet rechtstreeks getoetst aan de EU-waterkwaliteitsnormen, maar aan waterplannen. Daardoor werd de KRW-watertoets als veel minder knellend en dwingend ervaren dan bijvoorbeeld de habitattoets voor Natura 2000-gebieden. Volgens een zeer recente uitspraak van de EU-rechter  over het uitdiepen van de rivier de Wezer bij Bremerhaven is zo’n indirecte toetsing echter niet de bedoeling. Individuele vergunningen moeten direct getoetst worden aan (en geweigerd worden in verband met) de waterkwaliteitseisen van de KRW.  Iedere achteruitgang van het water moet worden voorkomen ongeacht de planning op langere termijn volgens de waterbeheerplannen. Dat betekent dat er gewoon vergunning geweigerd moet worden, tenzij een uitzondering (uit art. 4 KRW) van toepassing is. Kennelijk is hier toch een nogal hard nee, tenzij-regime bedoeld en kunnen we er ons niet meer vanaf maken met  een programmatische aanpak.
 

De natuur- en landbouwsector kent zo’n nee, tenzij-regime natuurlijk al veel langer. Daar geldt immers de habitattoets, waarbij getoetst moet worden op significante effecten op harde ecologische  instandhoudingsdoelstellingen: de beruchte significantietoets.

De nieuwe Europese watertoets werd meteen al door onze eigen Raad van State opgepakt in de zaak over het tracé-besluit verruiming vaarweg Eemshaven-Noordzee. Door vertroebeling zou de waterkwaliteit achteruit gaan, maar de rechter oordeelde dat het hier geen significante effecten zouden zijn. Dat lijkt allemaal sprekend op de klassieke habitattoets.
 

De natuursector kent zowel de voor- als de nadelen van een rigide nee, tenzij-toets: bepaalde groene en blauwe waarden worden weliswaar duidelijk en streng beschermd, maar naast deze bescherming is soms een beetje weinig plaats voor natuurbeleving, natuurontwikkeling en natuurbenutting. Daar hakken wij al langer met dit soms wat botte bijltje. De wereld van het waterbeheer zal hier nog wel wat van de ervaringen met het natuurbeschermingsrecht kunnen leren. Maar andersom leren wij ook weer iets van het nieuwe waterrecht: de Europese rechter is blijkens de Bremerhaven-zaak niet zo gecharmeerd van een programmatische aanpak. Dat voorspelt wederom weinig goeds voor onze Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor landbouw rondom Natura 2000-gebieden. Sterker nog: het zet in algemene zin vraagtekens bij de generieke regeling voor een programmatische aanpak voor ook andere sectoren dan natuur en water zoals die thans beoogd is in het ontwerp-Omgevingswet.
 

Je mag natuurlijk best wel zo’n plan of programma opstellen, maar het lijkt niet langer genoeg om uitsluitend op grond daarvan allerlei vergunningen te verlenen. Kortom: een programmatische aanpak zal niet dat smeermiddel zijn voor ruimhartige vergunningverlening zoals velen dat voor ogen hebben.

 

Fred Kistenkas, docent aan Wageningen Universiteit en onderzoeksleider omgevingsrecht aan Alterra, Wageningen UR.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.