We zijn er bijna...maar nog niet helemaal
Het rapport van de parlementaire werkgroep is niet alleen zeer invloedrijk vanwege haar kamerbrede steun (al is het nog even wachten op de standpunten van SGP en D66 die wegens tijdsgebrek niet in de werkgroep deelnamen), maar ook vanwege het feit dat op de SP na alle kamerleden in het volgende parlement terugkomen met jeugdzorg in hun portefeuille. De verkiezingsuitslag heeft dus geen invloed op de stellingname van de nieuwe Tweede Kamer over de toekomst van de jeugdzorg. Of zoals de werkgroep het zelf stelt:"Het zal een minister, wie het ook moge zijn, niet meevallen om beleid en wetgeving te ontwikkelen dat afwijkt van dit rapport".
De werkgroep heeft naar eigen zeggen bewust gekozen voor depolitisering omdat dat de enige manier is om nu eindelijk eens de weerbarstige problematiek van de jeugdzorg op te lossen. Dat getuigt mijns inziens van een mate van staatsmanschap die zelden eerder is vertoond. In gesprekken met diverse leden van de werkgroep heb ik me er persoonlijk van laten overtuigen dat het hun echt menens is. Men heeft besloten elkaar de komende maanden regelmatig te blijven zien en de gelederen in het nieuwe parlement gesloten te houden.
Natuurlijk vloeit mijn enthousiasme over het rapport ook voort uit de inhoud ervan. Ten eerste de expliciete erkenning en waardering voor de medewerkers in de jeugdzorg die zich in het algemeen met hart en ziel inzetten voor kinderen en daarin een grote verantwoordelijkheid dragen. Verdere professionalisering is overigens hard nodig en ik ga er van uit dat het nieuwe kabinet daaruit ook de consistente financiële conclusie trekt. Ten tweede de erkenning dat de verantwoordingsdruk (overmatige bureaucratie) voor een groot deel veroorzaakt wordt door de politiek die zich te veel laat leiden door incidenten. Het is inderdaad ook zo dat de sector zelf mede verantwoordelijk is voor de doorgeschoten verantwoordingslast. Maar als de politiek ook daadwerkelijk gaat acteren op haar zelfkritiek en minder indicentgedreven gaat handelen, dan onstaat ook de psychologische ruimte voor de sector zelf om voortvarender doorgeschoten bureaucratie op te ruimen. Een psychologische ruimte die nu nog vooral gevuld is met angst voor zondebokken, zwarte pieten en koppen die moeten rollen.
Ten derde staat de inhoudelijke visie van de werkgroep op de toekomst van de jeugdzorg mijns inziens als een huis. Cruciaal daarin is het voorstel voor één financieringsstroom. Waar minister Rouvoet het nog niet aan durfde om de machtige GGZ-lobby te weerstaan, kiest de werkgroep met overtuiging voor het overhevelen van de JeugdGGZ-middelen van de zorgverzekering naar één gebundelde doeluitkering. Daarmee worden de perverse financiële prikkels weggenomen die in het huidige stelsel samenwerking stevig belemmeren. Belangrijk is ook dat de werkgroep pleit voor afschaffing van de indicatiestelling al beperkt zij dat pleidooi onnodig tot het vrijwillige kader. Op dat punt kan dus nog even verder worden doorgepakt door de indicatiestelling volledig af te schaffen. Ook zeer belangrijk is de expliciete aandacht die de werkgroep vraagt voor de cruciale rol van de zorgadviesteams in het onderwijs als belangrijke vindplaats voor de jeugdzorg. Ik lees dat als een impliciete waarschuwing van de werkgroep om de CJG's een te dominante rol te geven als volledig eigenstandige organisaties in plaats van als (overigens cruciale gemeentelijke) spil in een netwerkorganisatie waarin de ZAT's een cruciale netwerkpartner zijn.
Een ander belangrijk element van de inhoudelijke visie van de werkgroep is ook de erkenning dat het voor de meest zware doelgroep (multiprobleemgezinnen en zorgmijders) van groot belang is dat hulpverlening in vrijwillig en gedwongen kader gecombineerd vanuit één uitvoeringsorganisatie mogelijk blijft. Bijvoorbeeld als het gaat om gezinnen met sommige kinderen met een justitiële maatregel en sommige kinderen met vrijwillige hulpverlening. Of als het gaat om gezinnen die uit de gedwongen hulpverlening instromen in de vrijwillige hulpverlening. Ik voeg daar in lijn met de visie van de werkgroep nog één optie aan toe, namelijk gezinnen met ouders die niet willen of kunnen en waar men in de CJG's of ZAT's niets (meer) mee kan. Ook die gezinnen zouden nog een laatste kans op "gedwongen vrijwillige" hulpverlening moeten kunnen krijgen voordat de route naar een onder toezichstelling en/of uithuisplaatsing wordt ingezet. Dit alles ter behoud van het gewenste laagdrempelige karakter van de CJG's/ZAT's. Voor de Bureaus Jeugdzorg betekent dit dat ze zich ook helder kunnen positioneren als "hoogdrempelige" organisatie gespecialiseerd in de meest zware doelgroep. Vanuit de boodschap dat je als ouders inderdaad een serieus probleem hebt als je cliënt bent bij BJZ, wat overigens niet betekent dat je per definitie je kind kwijtraakt. Dat gebeurt op dit moment maar in een grote minderheid van de gevallen. Een substantieel deel van de kinderen wordt onder toezicht gesteld maar een fors deel kan onder de dreiging van verdergaande maatregelen gewoon vrijwillige hulpverlening blijven ontvangen. Alleen de "echt vrijwillige" hulpverlening vindt plaats in de CJG's/ZAT's die daarmee ook echt laagdrempelig blijven.
De werkgroep maakt nog geen keuze voor de wijze waarop deze gecombineerde vrijwillige/gedwongen hulpverlening vanuit de BJZ's georganiseerd gaat worden. Er is sprake van een regionale variant waarin BJZ's in opdracht van samenwerkende gemeenten deze taken vervullen en een landelijke variant waarin dit onder de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid gebeurd. Ik ben er van overtuigd dat het nieuwe kabinet en het nieuwe parlement als ze de inhoudelijke redeneerlijn van de werkgroep consistent volgen tot de enige juiste keuze zullen komen, namelijk de regionale variant. Als je het immers belangrijk vindt dat perverse financiële prikkels voor samenwerking radicaal moeten worden weggenomen en dat het gemeentelijke niveau het meest passende bestuurlijke niveau is om de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg te dragen dan kun je niet anders dan kiezen om ook de financiering van en politieke verantwoordelijkheid voor dat deel van de jeugdzorg onder te brengen bij de gemeenten.
Het is juist deze meest kwetsbare zware doelgroep die bij uitstek gebaat is bij goede samenwerking tussen verschillende uitvoerende instellingen op gemeentelijk niveau als politie, justitie, woningbouwcorporaties, onderwijs, jeugd- en opvoedhulp, jeugdGGZ, jeugdLVG, volwassenGGZ, Sociale Dienst, leerplicht, GGD, maatschappelijke dienstverlening enzovoort. Het organiseren van deze vrijwillige/gedwongen jeugdzorg in een landelijke dienst onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie zou leiden tot justitionalisering, minder maatwerk op gemeentelijk niveau door de uniformering die gepaard gaat met de vorming van een landelijke organisatie en kostbare, energievretende reorganisaties. De meest kwetsbare kinderen zouden tussen de wal en het schip belanden met juist meer OTS-sen en UHP's tot gevolg.
Dat kan niet de bedoeling zijn van een advies met de titel "Jeugdzorg dichterbij". Dat we het beter maken voor de lichtere doelgroepen maar de moeilijke gevallen ver weg organiseren van waar de problemen het beste kunnen worden opgelost. Het standpunt van de VNG is in dat opzicht laf ("doe ons alleen de makkelijke kinderen") en inconsistent (juist de meest zware doelgroep vergt samenwerking op gemeentelijke uitvoeringsniveau, ook de meest kwetsbare kinderen zijn inwoners van gemeenten, de last van multiprobleemgezinnen wordt op gemeentelijk niveau gevoeld). Het ministerie van Justitie heeft een landelijke organisatie niet nodig om vanuit haar verantwoordelijkheid te sturen op betere resultaten zoals onlangs bleek uit een in opdracht van dat ministerie uitgebracht advies van Ordina.
En het "free rider" probleem dat mogelijk gepaard gaat met een variant van samenwerkende gemeenten die opdrachtgever zijn voor een regionaal werkend BJZ kan simpel worden opgelost door voor dit deel van de jeugdzorg te kiezen voor het financieringsmodel van de centrumgemeente. Die centrumgemeente die uiteraard goed moet samenwerken met de omliggende gemeenten maar wel kan beschikken over de totale financiering voor de meest zware doelgroep. Zodat die centrumgemeente niet steeds hoeft te bedelen voor financiering voor die meest zware doelgroep vanuit de redenering dat er in kleine gemeente "'X" geen zwerfjongeren en multiprobleemgezinnen zijn. De omliggende gemeenten hoeven niet bang te zijn dat de Centrumgemeente misbruik zal maken van haar positie. De ervaring leert dat het psychologisch eerder andersom werkt. Als je als centrumgemeente mede verantwoordelijk bent voor het oplossen van de zware problemen in de regio dan weet je dat je dat alleen gezaghebbend en effectief kunt doen als je je eigenbelang enigszins wegcijfert.
Omdat het in opdracht van de centrumgemeente opererende regionaal werkende BJZ als afzonderlijke "hoogdrempelige" organisatie blijft functioneren is ook geen sprake van een risico dat het CJG haar laagdrempeligheid verliest alleen vanwege het feit dat ook deze financieringsstroom via de gemeenten loopt. Een niet onbelangrijk afgeleid voordeel is dat juist de organisaties die hoe dan ook verantwoordelijk blijven voor de meest zware doelgroep niet worden belast met een onnodige reorganisatie. Zelfs in situaties waarin sprake is van meerdere opdrachtgevende samenwerkende gemeenten. Het is immers voor een BJZ goed mogelijk om in opdracht van meerdere opdrachtgevers te werken, zeker als die gemeentelijke opdrachtgevers vertegenwoordigd worden door een centrumgemeente.
De enige misser in een verder overtuigend rapport is het pleidooi voor samenvoeging van de onderzoeksfuncties van het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling en de Raad voor de Kinderbescherming. Nergens geeft de werkgroep daarvoor een inhoudelijke onderbouwing. Feit is dat veruit het grootste deel van de AMK-meldingen niet leiden tot een melding bij de RvdK, maar tot directe inzet, vaak nog lopende het AMK onderzoek - van hulp via de BJZ's. Van overlap is dus nauwelijks sprake. Het AMK werk maakt integraal onderdeel uit van de werkprocessen van BJZ's gericht op het zo snel mogelijk organiseren van hulp en het zo snel mogelijk weer op de veiligheidsnorm brengen van kinderen. Het pleidooi voor samenvoeging staat overigens achteraan in het rapport onder een lijstje met "aandachtspunten" dus ik heb er vertrouwen in dat het nieuwe parlement op dat punt nog wel te overtuigen is in de goede richting.
Kortom, de parlementaire werkgroep heeft een politiek zeer gezaghebbende en inhoudelijk overtuigende visie neergelegd die een krachtig startpunt vormt voor een duurzame hervorming van de jeugdzorg zeker als de paar open eindjes in de visie gewoon consistent in lijn met de visie van de werkgroep worden gedicht. Als het nieuwe parlement en het nieuwe kabinet de rug vervolgens ook recht houden naar aanleiding van de intensieve lobby's die ongetwijfeld nog zullen volgen de komende maanden dan oogsten ze nog een zeer belangrijk bijkomend voordeel. Invoering van de voorstellen van de parlementaire werkgroep ontneemt namelijk de uitvoerende organisaties (gemeenten, jeugdzorginstellingen) alle alibi's om nog met een beschuldigende vinger te wijzen naar de rijksoverheid als veroorzaker van alle jeugdzorgellende om vervolgens zelf lijdzaam te blijven. Dat lijkt mij een prettige positie voor een nieuw kabinet en een nieuw parlement.
Vanuit de uitvoering kijk ik er overigens liever positief tegenaan. Met invoering van de voorstellen van de werkgroep schept de Rijksoverheid alle ruimte voor emancipatie van de uitvoering. Voor minder bureaucratie en meer samenwerking. Ik heb daar veel zin in en roep alle collega's op om geen energie meer te steken in gelobby en vanuit het gegeven van een historische politieke consensus met voortvarendheid aan de slag te gaan met het bouwen aan een duurzame jeugdzorg.
En met voortvarendheid bedoel ik ook "up tempo". Dus niet met lange onnodige onzekerheid veroorzakende transitieperiodes. Maak de gemeenten gewoon over twee jaar verantwoordelijk en laat de lokale kiezer ze afrekenen op hun prestaties. Natuurlijk duurt het bouwen aan een duurzame jeugdzorg langer dan twee jaar als je gemeenten verantwoordelijkheid geeft zullen ze die niet anders dan moeten nemen. Als je het overdragen van die verantwoordelijkheid laat afhangen van een bepaald moment waarop gemeenten "op orde" zijn dan wordt het een slepend proces waar niemand bij gebaat is met ook nog eens meerdere sturingsregimes naast elkaar. Niet doen dus. Ook hier gewoon doorpakken.
We zijn er bijna, we zijn er bijna, maar nog niet helemaal.