Positieve berichten uit de uitvoeringspraktijk: de gezinsmanager in actie
Ganna was voor dat ze gezinsmanager werd "gewoon" jeugdbeschermer. In die hoedanigheid was ze verantwoordelijk voor zo'n 20 kinderen behorend tot zo'n 15 gezinnen. Sinds ze gezinsmanager is, is ze verantwoordelijk voor maar liefst circa 30 kinderen behorend tot gemiddeld vijf zogenaamde multi probleem gezinnen. Gezinnen met onmachtige ouders bestaande uit meerdere kinderen met een diversiteit aan cumulerende problemen zowel bij ouders als bij de kinderen (gebrekkige opvoedvaardigheden, verslavingsproblematiek, werkloosheid, schulden, armoede, psychiatrische problematiek, gedragsproblematiek, kindermishandeling, schoolverzuim, vroegtijdig schoolverlaten, huiselijk geweld, enzovoort).
Sinds Ganna gezinsmanager is en gemiddeld meer kinderen bedient dan als gezinsvoogd, heeft ze meer tijd om direct te besteden aan ouders en kinderen simpelweg omdat ze veel minder gezinnen in portefeuille heeft en ook kan volstaan met het in overleg met die gezinnen schrijven van gezinsplannen van aanpak in plaats van een plan van aanpak per kind en het bijhouden van één contactjournaal. In een aantal gevallen is ook de rechter al bereid gebleken akkoord te gaan met één integrale aanvraag voor ondertoezichtsstelling. Al met al een behoorlijke vermindering van de administratieve lasten.
De op een systeemaanpak gebaseerde gezinsgerichte benadering levert Ganna en de voor de specifieke casus relevante netwerkpartners (jeugdzorginstellingen, politie, openbaar ministerie, Raad voor de Kinderbescherming, Kinderrechter, woningbouwcorporaties, GGD, sociale dienst, maatschappelijk werk, leerplichtambtenaar, zorgcoördinator op school, enzovoort) waarmee zij in het kader van het zogenaamde "multi-disciplinaire overleg" overlegt en samenwerkt, ook een veel beter inzicht op in de problemen waarmee de ouders en kinderen te maken hebben. Daarmee wordt het risico dat verkeerde of suboptimale diagnoses worden gesteld die vervolgens leiden tot minder doelmatige hulpverlening (en verspilling van belastinggeld) aanzienlijk verminderd.
Zo was daar het geval waarin een regelmatig agressieve zoon anders min of meer automatisch een indicatie voor agressie regulatie therapie zou hebben gekregen. Door met het gezin als totaal te werken werd duidelijk dat veeleer sprake was van een gebrekkige communicatie tussen moeder en zoon. Moeder "eiste" allerlei dingen van haar zoon die daar geen zin in had, maar dat niet duidelijk durfde of kon aangeven. Deze "interactie" leidde periodiek tot een steeds bozer eisende moeder uitmondend in een uitbarsting van agressiviteit van de zoon. Duidelijk werd dat een "cursus tot tien tellen" geen duurzame oplossing zou bieden. Dat het vooral ging om het bespreekbaar maken en vervolgens verbeteren van de wijze van communiceren tussen moeder en zoon.
Door met het hele gezin te werken voorkomt Ganna dat sprake is van allerlei afzonderlijke hulpverleningstrajecten per ouder of kind die vanwege het ontbreken van een gezinsgerichte systeemaanpak relatief weinig effect hebben. In plaats van enkele uren per week hulp in het huishouden voor de moeder door het Leger des Heils, een uur in de week gedragstherapie voor zoon X, een uur per week psychiatrische behandeling voor dochter Y en een half uur per week verslavingszorg voor vader een integrale aanpak waarbij het gezinssysteem ook wordt ingezet ter ondersteuning van het geleerde in de afzonderlijke op de individuele gezinsleden gerichte hulpverlening.
Een concreet verhaal uit de dagelijkse werkpraktijk van Ganna illustreert hoe een gezinsmanager in de praktijk te werk gaat en wat de voordelen daarvan zijn. Na de ondertoezichtstelling van de oudste dochter probeert Ganna een afspraak te maken met de moeder voor een kennismakingsgesprek. Het gaat om een gezin met vader en moeder met psychische en andere problemen, een oudste zoon van 17 met een maatregel jeugdreclassering, een dochter van 16 met een OTS en twee jonger kinderen van 6 en 1 waar ook al de nodige zorgen over zijn en waarvan één van de twee een diagnose ADHD/ODD is gesteld.
Moeder geeft aan geen tijd te hebben voor een kennismakingsgesprek omdat ze het te druk heeft. Ganna neemt daar uiteraard geen genoegen mee. Tijdens het kennismakingsgesprek blijkt dat moeder wel reden heeft om het druk te hebben. Haar agenda staat vol met afspraken met meer dan tien verschillende hulpverleners die in het gezin actief zijn van algemeen maatschappelijk werk tot jeugdzorg. In een eerste casusoverleg waar alle hulpverleners bij aanwezig zijn weet Ganna de betrokkenen er van te overtuigen dat dit wel een beetje heel erg veel is. Door de werkzaamheden slimmer te combineren weet Ganna het aantal hulpverleners fors terug te brengen zonder dat dit ten koste gaat van de te verlenen hulp. Voor het toch al onder hoogspanning staande gezin wordt het er zo ook een stuk overzichtelijker op.
Ganna wordt geleidelijk aan de continue factor in het gezin. Ze zorgt ervoor dat de resterende hulpverleners beter gaan samenwerken en elkaar steeds goed op de hoogte houden. Dit leidt er ook toe dat het voor het gezin niet langer mogelijk is om de verschillende hulpverleners tegen elkaar uit te spelen en zich verder te ontwikkelen tot professionele steeds effectievere zorgmijders. Het subtiele spel van het combineren van zorg en drang/dwang wordt nu op een sluitende en consistente manier gespeeld. Dat vindt het gezin in eerste instantie natuurlijk niet leuk, maar geleidelijk aan ontwikkelt zich een vertrouwensband tussen Ganna, de overige hulpverleners en het gezin juist vanwege die sluitende en consistente aanpak. Normaal gesproken had Bureau Jeugdzorg voor de twee jongste kinderen ook direct een OTS aangevraagd. Maar omdat Ganna nu toch al in het gezin zit, is dit niet direct nodig en kan de ouders als het ware voor hun twee jongste kinderen een tweede kans geboden worden om zich te ontwikkelen tot goede opvoeders. Het feit dat Ganna dit kan doen levert een positieve bijdrage aan de motivatie van de ouders om mee te werken.
Ganna vervult in dit gezin tegelijkertijd de functie van jeugdbeschermer, jeugdreclasseerder en jeugdhulpverlener (vrijwillig kader). Langzaam aan ontwikkelt de gezinssituatie zich positief en wordt het gezin klaargestoomd om uit te stromen naar het vrijwillige kader. Ganna blijft als gezinsmanager verantwoordelijk voor het gezin, nu als 100% jeugdhulpverlener. Deze werkwijze heeft vele voordelen. Veruit het belangrijkste is dat de continuïteit in de hulpverleningsrelatie gewaarborgd is. Daarvan is beken dat die voor een groot deel doorslaggevend is wat betreft de effectiviteit van de ingezette hulp. Daarnaast is deze werkwijze aanzienlijk efficiënter. Hiervoor werd al aangegeven dat de gezinsmanager meer kinderen kan bedienen en tegelijkertijd meer tijd heeft voor ouders en kinderen. Daarnaast is geen sprake van efficiëncy verlies de altijd gepaard gaat met de overdracht van cliënten van de ene hulpverlener naar de andere. Zelfs als sprake is van warme overdracht is toch altijd sprake van efficiëncy verlies. Een nieuwe hulpverlener moet immers weer opnieuw een vertrouwensband opbouwen en zelfs warme overdracht is vuile overdracht (in de zin dat informatie verloren gaat die weer opnieuw moet worden verzameld). Het is uiteraard ook voor het gezin in kwestie prettig dat ze niet elke keer weer hun hele verhaal opnieuw moeten doen.
Ganna zelf heeft ook veel meer werkplezier. Haar functie is veelzijdiger, ze kan veel effectiever zijn voor haar cliënten en doordat ze van begin tot eind verantwoordelijk is voor haar gezinnen heeft ze ook beter zicht op de resultaten van haar werk. Ganna is een natuurtalent, maar ze is heel blij dat ze binnenkort een intensieve training krijgt gericht op het versterken van haar handelingsvaardigheden "in actie". De reguliere trainingen die ze als jeugdbeschermer al heeft gevolgd waren weliswaar zeer waardevol, maar toch vooral gericht op het opdoen van kennis en veel minder op het opdoen van handelingsbekwaamheid. Ganna verheugt zich ook op een volgend experiment in de ontwikkeling van gezinsmanagement, te weten het betrekken van de cliënten bij het multidisciplinaire overleg van de betrokken hulpverleners. De verwachting is dat daarmee nog meer kan worden aangesloten op de eigen kracht van de gezinnen.
De vraag die dit praktijkverhaal natuurlijk oproept is waarom dit succesverhaal niet al gemeengoed is in het werken bij Bureau Jeugdzorg. Het biedt immers alle ingrediënten voor een duurzame jeugdzorg. Meer effectiviteit voor de kinderen, minder administratieve rompslomp, lagere kosten en meer tevreden professionals. De reden hiervoor is vrij simpel. Dit soort experimenten kost in eerste instantie vrij veel extra geld. Extra geld voor opleidingen, voor leren, voor een lagere caseload, voor de extra tijd die moet worden gestoken in de verschillende samenwerkingsoverleggen en voor organisatieontwikkeling gericht op interne ontschotting van Bureau Jeugdzorg. Additionele financiering waarin de bestaande financieringssystemen niet voorzien. Dit soort experimenten komen dan ook alleen tot stand door tijdelijke extra "projectfinanciering" van - vanwege budgettaire beperkingen per definitie kleinschalige - proefprojecten. In dit geval vanuit de gemeente Amsterdam en de Stadsregio Amsterdam in het kader van de pilot aanpak (Overlastgevende) Multiprobleemgezinnen.
Massale invoering van gezinsmanagement is op de korte termijn kostbaar. Uit het voorgaande verhaal is duidelijk gebleken dat massale invoering op termijn tot grote productiviteitswinst kan leiden. Op termijn is het mogelijk dat gezinsmanagement zichzelf kan financieren binnen de bestaande financiële kaders. Ik sluit zelfs niet uit dat er op termijn sprake kan zijn van doelmatigheidswinst in het bijzonder ten aanzien van de budgetten voor jeugdzorgverlening. Maar daarvoor is het wel noodzakelijk dat eerst geïnvesteerd wordt in combinatie met het ontschotten van de huidige financieringssystemen. De huidige verkokerde financieringssystemen vormen een perverse prikkel die de samenwerking tussen alle netwerkpartners die in de werkwijze van gezinsmanagement besloten ligt, aanzienlijk bemoeilijkt zo niet blokkeert. De netwerkpartners worden immers niet gefinancierd voor die samenwerkingsinzet. En dat maakt het werk van een gezinsmanager er ook weer moeilijker en onnodig tijdsintensief op met veel duw en trekwerk richting de netwerkpartners.
Zolang de politiek derhalve niet ingrijpt in de huidige perverse financieringssystemen blijven succesvolle experimenten in de jeugdzorg zoals hier beschreven afhankelijk van tijdelijke extra projectfinanciering en lopen ze het risico weer in te zakken nadat de tijdelijke financiering stopt. Omdat ze te kleinschalig waren en niet lang genoeg zijn volgehouden om de inverdieneffecten die mogelijk zijn en waardoor gezinsmanagement zich op den duur zelf kan bedruipen ook daadwerkelijk te realiseren.
Wat het succes van de proef met gezinsmanagement ook laat zien is welke kracht er in de uitvoering aanwezig is. Tegen de stroom in en ondanks een ziek systeem slagen betrokken professionals zoals Ganna van Bijleveld er in om ons een blik te gunnen in hoe een duurzame jeugdzorg er in de praktijk uit kan zien. Het enige wat de politiek hoeft te doen is die kracht ontketenen, de rest kan men met een gerust hart aan de uitvoering over laten in ruil voor veel betere resultaten voor de meest kwetsbare kinderen in ons land.
Gezinsmanagement zoals ontwikkeld voor Bureau Jeugdzorg kan ook goed model staan voor gezinsmanagement uit te voeren in de CJG's voor de kinderen met ouders die wel willen en kunnen meewerken.
Een niet onbelangrijk bijproduct van de invoering van gezinsmanagement is dat het jeugdzorgstelsel daarmee de beschikking krijgt over vele onafhankelijke ogen en oren die in de praktijk diepgaand zicht krijgen op de doelmatigheid van de te verlenen jeugdzorg. De informatie waarover deze gezinsmanagers beschikken kan door de politieke financiers worden gebruikt ten behoeve van hun inkoopbeleid. De huidige bureaucratische indicatiestelling die mede gericht is op kostenbeheersing, doelmatigheidsbevordering en het bevorderen van vraaggerichtheid (maar dan vooral vanuit een statische en maar op beperkte praktijkervaring gebaseerde en daarmee zeer onvolledige en dus de facto niet doelmatige oordeelsvorming) is daarmee om die reden niet langer nodig, nog los van de ellende die die bureaucratie voor de cliënten met zich mee brengt.
Kortom, door te investeren in gezinsmanagement krijgen de politieke opdrachtgevers drie zaken voor de prijs van één. Meer veiligheid voor kwetsbare kinderen, minder bureaucratie en meer tevreden professionals. Het enige dat nodig is om dit te realiseren is een beetje politiek staatsmanschap.