Volg ons op: , LinkedIn of

Kijk snel bij: Abonnementen Vacatures BB Magazine

Discussie duurzame jeugdzorg, reactie op reactie vanuit GGZ

Erik Gerritsen
In mijn laatste blog in de serie "Op weg naar een duurzame jeugdzorg" riep ik op tot reacties. Onlangs trof ik in een digitale BMC-nieuwsflits over jeugdzorg een reactie aan op mijn blog nummer 8 over de rol van de GGZ van Jos Rietveld, bestuurder van Accare en bestuurslid van GGZ Nederland en Paul Willems, bestuurder van de Bascule en voorzitter van het Platform Jeugd van GGZ Nederland. Die reactie, die ik bijvoeg Uploads/Files/Reactie-op-bijdrage-Erik-Gerritsen-in-Nieuwsflits-Jeugd-dd--2-1_1.pdf, vraagt natuurlijk om een reactie van mijn kant, maar lees de reactie vooral ook zelf en oordeel zelf.

Rietveld en Willems beginnen hun reactie met de kwalificatie dat mijn uitleg van het GGZ-standpunt suggestief en onvolledig zou zijn. Wat ze vervolgens vergeten is om aan te geven op welke punten dat het geval is. Dat maakt het moeilijk om de inhoudelijke discussie met ze aan te gaan. Dat is overigens meer in het algemeen het probleem met de reactie van Rietveld en Willems. Ze poneren van alles maar analyseren en  beargumenteren niets. Ze spreken van een scherpe repliek en hopen dat ik tegen een stootje kan, maar hun reactie voelt als slagen in de lucht. En als klap op de vuurpijl (in het luchtledige) gebruiken ze ook nog eens de bekende strategie van het maken van een karikatuur van mijn standpunten om vervolgens die karikatuur nogal makkelijk te bekritiseren. Nog steeds overigens met stellingen in plaats van analyse en argumenten. Een debatstijl gericht gericht op gelijk willen krijgen in plaats van gezamenlijk in dialoog zoeken naar duurzame oplossingen.

 

Inhoudelijk is het dus moeilijk zo niet onmogelijk om op de reactie van Rietveld en Willems te reageren. Toch is het de moeite waard om wat commentaar op hun reactie te geven die bovenstaande kwalificaties van mijn kant onderbouwen. Al is het maar om aan te geven dat de GGZ blijkbaar weinig inhoudelijke argumenten in huis heeft die pleiten voor het standpunt van GGZ-Nederland dat ik in blog 8 en het begin van blog 9 bekritiseerde.

 

Ik zou volgens Rietveld en Willems een "WJZ-diehard" zijn. Nergens geven ze aan wat ze hier mee bedoelen, laat staan waarom dat een probleem is. Vervolgens stellen ze dat de onafhankelijke toegang - waar ik voor pleit - toch onderhand duidelijk onwerkbaar is gebleken. Uit de BMC-evaluatie van de wet op de jeugdzorg (door Rietveld en Willems tussen haakjes zonder argumentatie als behoudend gekwalificeerd) blijkt klip en klaar waarom dat zo is. De onafhankelijke toegang werkt niet omdat hij nooit tot stand is gekomen. Voor LVG totaal niet (omdat dit deel van de oorspronkelijke wet op de jeugdzorg "on hold" is gezet) en voor de JGGZ vrijwel totaal niet (omdat arts-artsverwijzing in stand is gehouden). Kortom de onafhankelijke toegang is nooit uitgeprobeerd. Hoe kan je dan zeggen dat hij onwerkbaar is gebleken? Wat ik graag zou willen weten is welke inhoudelijke argumenten pleiten tegen zo'n onafhankelijke toegang en hoe een jeugdzorgsstelsel voldoende vraaggericht kan werken en uit zich zelf gaat samenwerken zonder zo'n onafhankelijke toegang. Maar daarover lees ik niets. Een gemiste kans voor de dialoog.

 

Vervolgens zou ik volgens Rietveld en Willems een achterhoede gevecht leveren als het gaat om de indicatiestelling. Zoals ik in blog nr. 4 duidelijk heb beargumenteerd ben ik juist voor het afschaffen van die indicatiestelling en juich ik de beweging die met het convenant tussen IPO en Rijk in gang is gezet op weg daar naar toe alleen maar toe. Maar afschaffen van de indicatiestelling is wat anders dan het afschaffen van de integrale toegang naar de tweede lijns jeugdzorg voor de complexe meervoudige en multi-probleem gevallen met ouders die niet kunnen en of willen meewerken. Rietveld en Willems moeten nog maar eens blog. nr 5 lezen. Ook als het gaat om het nuanceren van het begrip "vrijwillige jeugdzorg". In dat verband zie ook ik voor BJZ's geen toegangsrol meer weggelegd in die gevallen waarin sprake is van "'echte" vrijwilligheid, van ouders die echt daadwerkelijk willen en kunnen meewerken. Maar het grootste deel van de cliënten die op dit moment onder de verantwoordelijkheid vallen van de vrijwillige tak van de BJZ's zijn qua kenmerken volledig vergelijkbaar met de cliënten die nu vallen onder gedwongen regimes van jeugdbescherming en jeugdreclassering. De enige reden waarom die cliënten nog niet onder toezicht zijn gesteld is omdat ze onder de dreiging hiervan nog "vrijwillig" meewerken. In die zin is de constatering van Rietveld en Willems dat met het recente standpunt van de MO-groep ("Naar een integrale jeugdzorg") de toegang naar de vrijwillige jeugdzorg met zoveel woorden bij het oud vuil worden gezet een onjuiste interpretatie.

 

Een onderliggend probleem volgens Rietveld en Willems is dat ik afkomstig ben uit de gemeentelijke wereld en het politiek ambtelijke  denken en "maakbaarheidsdenken" dat ten grondslag ligt aan de wet op de Jeugdzorg. Opnieuw blijft het helaas bij deze kwalificaties zonder inhoudelijke onderbouwing. Hun betoog verwordt ronduit tot demagogie als het gegeven dat de jeugdzorg grote problemen kent (zoals blijkt uit mijn blogs ben ik het daar mee eens) wordt gekoppeld aan de oproep "om de jeugdzorg geheel in handen te leggen van professionele, autonome instellingen en onze sector te verlossen van de vele honderden ambtenaren en politiek bestuurders, die nu zonodig regie willen voeren?". Nergens wordt inhoudelijk aangegeven waarom zo'n alternatief jeugdzorgstelsel beter zou werken dan het huidige - inderdaad disfunctionerende - systeem.

 

Dat we met de ideëen van Rietveld en Willems alleen maar van de regen in de drup zouden komen wordt duidelijk als ze ingaan op een belangrijk onderdeel van het standpunt van GGZ-Nederland dat ik volgens hun over het hoofd heb gezien. Het gaat dan over het pleidooi om te komen tot een geïntegreerde tweedelijnszorg in de vorm van geïntegreerde instellingen. Ik geef toe dat ik dit element enigszins over het hoofd heb gezien, al staat dit element mijns inziens enigszins verhullend in  het standpunt van GGZ-Nederland opgeschreven.

 

Blijkbaar ziet GGZ-Nederland de oplossing voor de problemen van te veel bureaucratie en te weinig samenwerking in het fuseren van instellingen van provinciale jeugdzorg, jeugd-GGZ en jeugd-LVG. Wie mijn blogs leest weet welke bezwaren ik in het algemeen heb tegen structuuroplossingen. Maar in dit geval komen daar nog wat extra bezwaren bij. Want enerzijds pleit GGZ-Nederland voor meer marktwerking door het onderbrengen van een groter deel van de jeugdzorgfinanciering onder het regime van de zorgverkeringswet, en anderzijds lijkt GGZ-Nederland nu te pleiten voor fusies die ongetwijfeld zullen leiden tot oligopolische of zelfs regionaal monopolistische jeugdzorg molochen. In blogs 8 en 9 heb ik al een aantal argumenten gegeven waarom marktwerking niet het meest geschikte principe is om het ongetemde probleem van de jeugzorg op te lossen (volgens Rietveld en Willems "nergens op gebaseerd" wederom zonder dat ze argumenten aanvoeren,behalve een appels met peren vergelijking met de somatische zorg). Maar als die beweging richting zorgverkeringswetregime wordt gecombineerd met grootschalige fusiebewegingen dan kunnen we helemaal voorspellen wat er gebeurd. Dan krijgen we te maken met machtige (en vanwege de omvang zeer bureaucratische) jeugdzorgmolochen die zonder checks and balances vanuit welk mechanisme dan ook (marktwerking of die onafhankelijke toegangsfunctie van de BJZ's in het stelsel zoals ik dat voor ogen heb). Hoe de zorgverzekeraar voldoende tegenwicht kan bieden tegen deze nieuwe jeugdzorgmolochen wordt nergens door Rietveld en Willems duidelijk gemaakt. Een nieuw drama naar analogie van de deconfiture in de thuiszorg tekent zich af als we dit pad op gaan.

 

Feitelijk zeggen Rietveld en Willems "geef ons gewoon de macht en we regelen het goed voor de cliënt". Zoals bekend ben ik groot voorstander van het geven van meer ruimte aan professionals en meer werken op basis van vertrouwen vooraf (maar wel in combinatie met onafhankelijke checks and balances!), maar de blanco cheque en het blinde vertrouwen waarom Rietveld en Willems vragen lijkt mij toch echt teveel van het goede. Maar nogmaals, als zij met inhoudelijke argumenten komen waarom zo'n systeem zou kunnen werken laat ik me graag overtuigen. Het enige "argument" waar ze mee komen is "dat het verder optuigen van de toegangsfunctie van BJZ zoals bepleit door Gerritsen geen enkele bijdrage levert en het paard achter de wagen spant". Beste Jos en Paul, ligt nou eens toe waarom jullie dat vinden!

 

Rietveld en Willems besluiten hun betoog met een kostenvergelijking waaruit zou moeten blijken dat de JGGZ stukken goedkoper is dan de provinciale jeugdzorg. Dat is een vergelijking uit het ongerijmde, zoals blijkt uit hun eigen verklaring van het kostenverschil. De provinciale jeugdzorg kent een veel hogere residentiële oriëntatie en residentiële voorzieningen zijn nu éénmaal duurder dan ambulante voorzieningen die dominant zijn in de JGGZ. Natuurlijk kan de jeugdzorg goedkoper worden als we er met zijn allen in slagen om het beroep om relatief dure residentiële voorzieningen terug te dringen. Het voorkomen van het onnodig verergeren van jeugdzorgproblematiek is een rode draad uit mijn blogs. Maar Rietveld en Willems suggereren dat de JGGZ kinderen minder snel in een residentiële voorziening zullen plaatsen en met goedkopere - ambulante - voorzieningen net zo goed kunnen helpen. Die suggestie- dat instellingen voor provinciale jeugdzorg kinderen onnodig in residentiële voorzieningen plaatsen, wordt nergens inhoudelijk  onderbouwd. Mijn ervaring is ook dat dit feitelijk niet het geval is. Kinderen worden alleen residentieel geplaatst als dat echt nodig is. Sterker nog het is mijn ervaring dat de JGGZ-instellingen moeite hebben met de meest complexe jeugdige psychiatrische patiënten die nogal eens uit de JGGZ-voorzieningen "knallen". De JGGZ lijkt een oriëntatie te hebben op de relatief gemakkelijke jeugdige psychiatrische cliënten en die zijn vanzelfsprekend goedkoper te behandelen. 

 

Op één punt moet ik Rietveld en Willems nederig gelijk geven. Blijkbaar mag je de wachtlijst bij de JGGZ (volgens BMC-rapport 28.000) niet één op één vergelijken met die bij de provinciale jeugdzorg (volgens BMC-rapport 4000) omdat de JGGZ rekent met een wachttijd van 4 weken en de provinciale jeugdzorg met een wachttijd van 9 weken. Het gaat dus feitelijk om de vergelijking 28.000 versus circa 9.000, nog steeds een indrukwekkend verschil dat wel tot een wat meer zelfkritische houding van de GGZ zou mogen leiden wat mij betreft.

 

Gelukkig maak ik volgens Rietveld en Willems ook een paar behartenswaardige opmerkingen over de rol van de BJZ's voor de kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Maar tussen haakje voegen ze daar wederom zonder onderbouwing aan toe "bij voorkeur samengevoegd met de Raad voor de Kinderbescherming", terwijl ik in blog nr. 6 toch een wat inhoudelijker verhaal daarover heb gepresenteerd. Rietveld en Willems sluiten hun tirade van niet onderbouwde negatieve kwalificaties af met een verwijzing naar "de dubieuze menging van toegangs- en toezichtstaken die de BJZ's nu hebben". Verheugend is wel dat ze het mij mij eens zijn dat vanuit de volwassenpsychiatrie ruimhartiger moet worden samengewerkt op het punt van informatieverstrekking, al voelt dat in de context van hun reactie wel als de "understatement van het jaar".

 

Afrondend is mijn conclusie dat ik de inhoudelijke dialoog met de GGZ graag aan ga. Maar daarvoor is wel een inhoudelijkere reactie nodig dan die van Rietveld en Willems. Het wachten is dus op de eerste stoten die echt aankomen in plaats van de slagen in de lucht die nu zijn uitgedeeld. Dan pas zal blijken of ik tegen een stootje kan. Helpers weg op naar de tweede ronde???

 

Vacatures