CAO jeugdzorg, gebeten worden door hond of kat
Met de precieze cijfers zal ik u niet vermoeien, maar neem van mij maar aan dat er eigenlijk geen verschil van mening is tussen werkgevers en bonden over de omvang van de sobere salarisstijging voor de - gezien het moeilijke en maatschappelijk belangrijke frontlijnwerk - stevig onderbetaalde medewerkers in de jeugdzorg. De kern van het probleem wordt veroorzaakt doordat de vanuit de rijksoverheid verstrekte jaarlijkse vergoeding voor loonstijging (de OVA) niet voldoende is om de gewenste sobere salarisstijging te vergoeden.
Afgezien van een hogere OVA zijn er maar twee manieren om de noodzakelijke loonruimte alsnog te realiseren. Schrappen van andere arbeidsvoorwaarden zoals extra verlofuren voor 55plussers of realiseren van productiviteitswinst door bijvoorbeeld vermindering van het ziekteverzuim en sociale innovatie. Versobering van andere arbeidsvoorwaarden is een sigaar uit eigen doos die voor de vakbonden grotendeels niet acceptabel is. Het realiseren van efficiencywinst in een sector die op veel onderdelen stevig objectief aantoonbaar wordt ondergefinancierd komt neer op het dichten van het ene gat door het andere (nog afgezien van het technische probleem dat de verdiencapaciteit niet voor elke organisatie gelijk is en productiviteitswinst door sociale innovatie tijd kost en alleen kan worden gerealiseerd als er eerst extra geínvesteerd wordt). Dus ook die door de vakbonden bepleitte route komt defacto neer op een sigaar uit eigen doos. Toch al armlastige jeugdzorginstellingen zullen simpelweg extra moeten bezuinigen. Met een begroting die grotendeels uit personeelskosten bestaat betekent dat werklastverhoging (ook niet acceptabel voor de bonden) of het laten oplopen van wachtlijsten (schadelijk voor kwetsbare kinderen en ook niet werkbaar voor de jeugdzorgprofessionals).
Zolang werkgevers en vakbonden derhalve in het huidige "framework" blijven onderhandelen blijft sprake van het kiezen tussen twee kwaden, terwijl beide partijen nauwelijks inhoudelijk van mening verschillen en ook geen sprake is van overdreven financiële eisen (bijvoorbeeld vergeleken met het onderhandelingsresultaat dat de gemeentelijke vuilnismannen hebben bereikt na stakingen in de zomer). De vakbonden lijken uiteindelijk te kiezen voor salarisstijging en sluiten de ogen voor de ondeugdelijke financiering waardoor de werknemers de rekening langs andere weg keihard gepresenteerd krijgen. Werkgevers gunnen hun medewerkers de geringe loonsverhoging van harte maar kiezen noodgedwongen voor het standpunt van budgettaire neutraliteit.
Werkgevers en vakbonden zouden er dan ook verstandig aan doen om in plaats van elkaar te bestrijden gezamenlijk op te trekken richting de politieke financiers. Er ligt een redelijk pakket aan arbeidsvoorwaarden eisen waar op dit moment simpelweg niet voldoende financiële middelen voor ter beschikking worden gesteld. Het is wat mij betreft aan de politiek om hier de uiteindelijke keuze te maken. Toch extra financiële middelen ter beschikking stellen voor een redelijke loonstijging, verantwoordelijkheid nemen voor een veel lagere loonstijging, accepteren dat een redelijke loonstijging tot werklastverhoging leidt met alle gevolgen van dien of accepteren dat een redelijke loonstijging tot nieuwe wachtlijsten in de jeugdzorg leidt. Vakbonden en werkgevers zouden mijns inziens schouder aan schouder moeten strijden voor een maximaal resultaat richting politiek en moeten accepteren dat de politiek uiteindelijk beslist. Dat is veel beter dan wat er nu lijkt te gebeuren. De confrontatie met de politiek wordt uit de weg gegaan, die krijgt daarmee de kans om te duiken en moeilijke keuzes in budgettair lastige tijden uit de weg te gaan en werkgevers en vakbonden plaatsen zichzelf in een positie die hoe dan ook uitkomt bij een stinkende sigaar uit eigen doos voor de werknemers in de jeugdzorg. Dat moet beter kunnen.