Religie op de werkvloer
Een man met baard en – volgens de IND - Arabisch uiterlijk solliciteert bij de IND naar de functie van hoor- en beslismedewerker. Tijdens het sollicitatiegesprek wordt hem gevraagd of hij om religieuze redenen een baard heeft. De man bevestigt dit.
De IND wijst hem vervolgens om deze reden af.
De IND wijst hem vervolgens om deze reden af.
Volgens de IND is het van belang dat asielzoekers in een neutrale omgeving worden gehoord. Daarbij mogen geen religieuze of politieke uitingen zichtbaar zijn. De man stapt naar de Commissie Gelijke Behandeling. Hij beroept zich op het verbod van onderscheid op grond van godsdienst. De Commissie stelt de man in het gelijk. Volgens de Commissie heeft de Staatssecretaris van Justitie gehandeld in strijd met de gelijke behandelingswetgeving.
Maar wat als de sollicitant had geantwoord dat hij een baard had omdat hij dit zo mooi vindt? Volgens de Staatssecretaris zou hij dan waarschijnlijk wel zijn aangenomen. Hij had wel zijn baard korter moeten trimmen om alle mogelijke schijn van een religieuze achtergrond te vermijden.
Het gaat om een botsing tussen enerzijds de eisen die de werkgever aan uiterlijk en kleding van werknemers mag stellen en anderzijds het recht van werknemers om juist door middel van uiterlijk en kleding uiting te geven aan hun geloof. Die botsing komt steeds vaker voor.
Onlangs heeft de kantonrechter in Amsterdam een uitspraak gedaan over een christelijke tramconducteur. Hij droeg een halsketting tot halverwege de borst, met een kruis van 5 cm er aan. Het GVB stelde dat dit in strijd was met de kledingvoorschriften. Volgens de man was het belangrijk om de ketting met kruis zichtbaar óver de bedrijfskleding te dragen. De kantonrechter erkent het recht van de man om een ketting met kruis te dragen. In dit geval kon het GVB zich echter beroepen op het veiligheidsaspect: agressieve passagiers zouden aan de ketting kunnen trekken. Dit argument werd door de rechter gehonoreerd. Het GVB mocht de eis stellen dat het kruis ónder de bedrijfskleding werd gedragen.
De vrijheid van werknemers om uiting te kunnen geven aan hun geloofsovertuiging weegt zwaar. De werkgever die deze uitingen niet wil toestaan zal daarvoor goede argumenten moeten aanvoeren. De enkele stelling dat de omgeving er professioneel of neutraal uit moet zien is niet voldoende.
Anja Hoffmans
Maar wat als de sollicitant had geantwoord dat hij een baard had omdat hij dit zo mooi vindt? Volgens de Staatssecretaris zou hij dan waarschijnlijk wel zijn aangenomen. Hij had wel zijn baard korter moeten trimmen om alle mogelijke schijn van een religieuze achtergrond te vermijden.
Het gaat om een botsing tussen enerzijds de eisen die de werkgever aan uiterlijk en kleding van werknemers mag stellen en anderzijds het recht van werknemers om juist door middel van uiterlijk en kleding uiting te geven aan hun geloof. Die botsing komt steeds vaker voor.
Onlangs heeft de kantonrechter in Amsterdam een uitspraak gedaan over een christelijke tramconducteur. Hij droeg een halsketting tot halverwege de borst, met een kruis van 5 cm er aan. Het GVB stelde dat dit in strijd was met de kledingvoorschriften. Volgens de man was het belangrijk om de ketting met kruis zichtbaar óver de bedrijfskleding te dragen. De kantonrechter erkent het recht van de man om een ketting met kruis te dragen. In dit geval kon het GVB zich echter beroepen op het veiligheidsaspect: agressieve passagiers zouden aan de ketting kunnen trekken. Dit argument werd door de rechter gehonoreerd. Het GVB mocht de eis stellen dat het kruis ónder de bedrijfskleding werd gedragen.
De vrijheid van werknemers om uiting te kunnen geven aan hun geloofsovertuiging weegt zwaar. De werkgever die deze uitingen niet wil toestaan zal daarvoor goede argumenten moeten aanvoeren. De enkele stelling dat de omgeving er professioneel of neutraal uit moet zien is niet voldoende.
Anja Hoffmans