Radicale omkering belooft meer verlies dan winst
De voorstellen buitelen weer over elkaar heen om het Huis van Thorbecke grondig ‘op te ruimen’, zoals regiobestuurder Jaap Modder het onlangs noemde. Hij bepleitte minder departementen, een handvol samengevoegde provincies en waterschappen en een stuk of dertig gemeentelijke samenwerkingsregio’s.
De commissie-Kalden onderscheidde een nog radicalere bezuinigingsvariant: weg met alle provincies en waterschappen, en alle 430 gemeenten teruggebracht tot 25 à dertig regiogemeenten. Ook anderen staken hervormingspartij D66 naar de kroon(juwelen). Kort op elkaar pleitten Hans Hoogervorst (VVD), Marnix van Rij en Gerd Leers (CDA) voor een nieuw kiesstelsel, compleet met kiesdrempel, rechtstreeks gekozen burgemeester en premier: systematisch meer politieke concurrentie en concentratie, zoals ook weer bepleit door Ed van Thijn (PvdA). Jan Marijnissen (SP) is hiertegen, maar wil weer wel een raadgevend en correctief referendum, zoals ook Femke Halsema (GroenLinks).
Het probleem is niet zozeer dat de voorstellen deels tegenstrijdig zijn. De wrijving zou glans kunnen geven en het debat zou leereffecten kunnen genereren. Het probleem is dat dit maar niet gebeurt, dat telkens weer hetzelfde rondje wordt gedraaid. Telkens wordt gesuggereerd dat Nederland zo ongeveer het laatste beschaafde land is zonder rechtstreeks gekozen burgemeester, terwijl Scandinavische landen het toch ook heel behoorlijk doen zonder.
Voorstanders van een districtenstelsel weten zeker dat ‘de burger’ dit prefereert, terwijl niet zo lang geleden een representatief en welingelicht ‘Burgerforum’ deze variant juist verwierp. In Engeland willen velen van het districtenstelsel met zijn opgeklopte tweespalt af. Ook in Amerika gaat het debat over deliberative democracy en network governance wat verdacht veel op polderen lijkt. In Nederland willen de meeste vernieuwers precies de andere kant op: meer ‘stemmingendemocratie’.
Hoewel prestaties altijd beter kunnen, heeft de Nederlandse democratie niet primair een effectiviteitsprobleem alswel een geloofwaardigheidsprobleem. Degenen die de consensusdemocratie moeten (ver)dragen geloven er zelf steeds minder in. Een stabiele en ruime meerderheid onder de bevolking is vóór stemmingen in referenda. Dat wil niet zeggen dat dit ‘dus’ subiet moeten worden opgevolgd.
Het is wel duidelijk dat er hardnekkige vragen worden gesteld bij de consensusdemocratie die geloofwaardig beantwoord moeten worden. Niet door een radicale omkering van die consensusdemocratie. Dat lukt nooit en belooft ook meer verlies dan winst. Wel door aanvullingen en correcties op de consensusdemocratie uit te proberen. Wat is de moeite waard, en wat niet, lerend van vergelijkend democratieonderzoek? De Nederlandse burgemeester wordt niet heel anders geselecteerd dan in de meeste Europese landen, via de lokale democratie, alleen is het proces van onderop te weinig zichtbaar.
Laat kandidaten naar believen campagne voeren. Als te weinig kandidaten dit aandurven moeten we ook niet denken aan een rechtstreeks gekozen burgemeester. De Nederlandse premier wordt eigenlijk al door de kiezers aangewezen. Dat de lijsttrekker van de meestgekozen partij premier wordt is informeel staatsrecht dat, gelukkig, niet in steen is gehouwen. Een bescheiden kiesdrempel van een paar procent, om eerst eens mee te experimenteren, zou politieke partijen en hun lijsttrekkers wellicht wat ‘robuuster’ kunnen maken, net als in Duitsland.
Een districtenstelsel ontbeert draagvlak en heeft nauwelijks kans van slagen. Stroomlijning van het binnenlands bestuur werkt alleen ín de geest Thorbecke. Het bewierrookte Deense voorbeeld verdient geen navolging. Als enige in Europa is het een nóg sterker gecentraliseerde eenheidsstaat geworden. België, Spanje, Italië, Frankrijk en zelfs het Verenigd Koninkrijk zijn allemaal gedecentraliseerd en geregionaliseerd; net als Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland al waren. Hiertussen misstaat het ‘Huis van Thorbecke’ allerminst.
Schaalvergroting kan alleen werken als voldoende mogelijkheden overblijven voor medebestuur en burgerschap. Vergelijkenderwijs is de Nederlandse gemeente nu al een behoorlijk grootschalige ‘beleidsfabriek’. Dat moet niet verder versterkt maar juist gecorrigeerd worden. Mogelijkheden voor burgerinitiatieven en referenda moeten worden verruimd als het bestuur wordt ‘opgeschaald’. Gelijk oversteken. Meer experimenteren op lokaal niveau. En een adviserend, correctief referendum als bescheiden eerste stap op landelijk niveau.
Zwitserland laat zien dat consensusbestuur zulke tegenmacht nodig heeft om scherp te blijven, al krijgt het dan af en toe een lelijke tik op de neus. Wat we ook kunnen leren van Zwitserland is dat zoiets als het referendum stap voor stap opgebouwd kan worden, eerst in delen van het land, later pas voor het grotere geheel. Zo moet het in Nederland ook.
Frank Hendriks, hoogleraar Bestuurskunde in Tilburg. Auteur van ‘Vital Democracy’, Oxford University Press