of 59221 LinkedIn

Nieuwe vergezichten voor het politiek bestel?

Frank de Vries 2 reacties

Verleden week steeg er een liberale proefballon op van het Binnenhof. Voorzitter Loek Hermans van de Senaatsfractie van de VVD pleitte voor een onderzoek naar de inrichting van het democratisch bestel. Aanleiding voor dit voorstel vormde de immer voortdurende discussie over de plaats en taak van de Eerste Kamer. 

Premier Rutte zegde in de Eerste Kamer opvallend snel zijn steun toe. Een nieuwe staatscommissie lijkt geboren. Merkwaardig genoeg is er nogal lauw gereageerd op de voorstellen. En dat is jammer, want er wel degelijk werk aan de parlementaire winkel. Gemakkelijk zal de zoektocht naar vernieuwing niet worden. Onze Grondwet vraagt immers tijd. Bovendien leert de ervaring dat pogingen tot vernieuwing nogal eens sneven in Eerste Kamer. Wiegels “tegen” uit mei 1999 staat nog stevig in het parlementaire geheugen gegrift. En ook kandidaat-senator Thom de Graaff weet hoe een lang gekoesterde wens in rook kan opgaan.
 

Het is daarom verstandig de opdracht voor de te vormen staatscommissie niet te ruim te formuleren. Waarover zou de commissie zich moeten buigen? In de eerste plaats is dat de positie van de Eerste Kamer. Daarover is veel te zeggen. De Staatscommissie zou de fundamentele vraag voorgelegd moeten krijgen of wij in Nederland blijvend grond zien een parlementair model met twee kamers. Het antwoord kan beide kanten op. Er zijn landen die perfect functioneren met een volksvertegenwoordiging die uit ‘slechts’ een kamer bestaat. Zo’n keuze is alleszins legitiem. Er zijn ook goede gronden om ons tweekamerstelsel te handhaven. Maar dan is wel de vraag aan de orde of dat stelsel nu goed is ingericht. De vraag stellen is haar beantwoorden. Onze Grondwet dringt de Eerste Kamer een heel beperkte keuze op. Zij kan immers nauwelijks in positieve zin bijdragen aan de kwaliteit van wetgeving. Het ligt dus voor de hand de commissie te vragen of bijvoorbeeld de invoering van een zogeheten ‘recht van terugzending’ iets toevoegt en zo ja in welke vorm die regeling er dan moet komen. Daarvoor zijn meerdere opties denkbaar.  
 

Een andere kwestie die de commissie beet zou kunnen pakken is de gang van zaken rondom de vorming van een nieuwe kabinet en de betrokkenheid van de Tweede Kamer daarbij. Met veel vallen en opstaan zijn op dit punt al de nodige nieuwe spelregels ontstaan, onder meer over de positie van ons staatshoofd. Het zou goed zijn als de staatscommissie uitspraken doet over deze praktijk en beziet of codificatie op de een of andere wijze wenselijk en mogelijk is. Ons politieke bestel wint aan betekenis als de Tweede Kamer na haar verkiezing een duidelijker plaats krijgt bij de start van de kabinetsformatie en de daaruit voortvloeiende vorming van een nieuw kabinet. Soortgelijke opmerkingen gelden voor de procedure van benoeming van ministers en staatssecretarissen. Er is vanuit parlementair perspectief alles voor te zeggen om ook hier de Tweede Kamer een prominter positie te geven. Het voorstel van D66-fractievoorziter Pechthold om ministers voorafgaande aan hun benoeming op dezelfde wijze ‘te verhoren’ als kandidaten voor de Europese Commissie verdient dan ook alle aandacht. Of deze vernieuwingen blijvend samengaan met de formele benoemingsprocedure die de Grondwet nu voorschrijft is vooral een mooie vraag die de staatscommissie mag beantwoorden.
 

Meer thema’s hoeft de door premier Rutte aankondigde staatscommissie eigenlijk niet aan de orde te stellen. Geen adviezen derhalve over de invoering van referenda en ook niet over het door sommigen zo vermaledijde toetsingsverbod dat onze Grondwet thans nog kent. Dat zijn wellicht vraagstukken waar lang en breed over te praten valt, zij raken niet wezenlijk de kern van ons parlementaire model en leiden vooral de aandacht af van waar het echt om gaat. Ons politieke bestel heeft op een aantal punten behoefte aan een stevige opknapbeurt. Het tij daarvoor is gunstig. Een beperkte opdracht voor een staatscommissie die snel kan werken is nu de beste methode.

 

mr Frank de Vries

Auteur is adviseur in vraagstukken van Openbaar Bestuur bij onder meer Berenschot en oud-wethouder. Hij promoveerde in 2000 aan de RUG op een proefschrift over ‘De staatrechtelijke positie van de Eerste Kamer’.

 

 

 

 

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door doeterniettoe (-) op
Tekenend: alleen kijken hoe het kabinet nog meer door kan drammen, maar niet naar wat andere landen of zelfs maar de bevolking graag wil.
Zelden zo'n corrupte politici gezien in Den Haag.
Door M. Sessink (ambtenaar) op
Het bestel moet nu natuurlijk op de schop omdat dit kabinet vooral last heeft van de 1e kamer; niet op onvoorwaardelijke steun kan rekenen. Maar als deze partijen zelf in de oppositie zouden zitten, zouden ze ook niet aarzelen de 1e kamer te gebruiken om zaken tegen te houden.