of 59045 LinkedIn

Sturen op waarden en kwaliteiten

Eén van de urgente kwesties die zowel nationaal als internationaal spelen is de waardering en daarmee de evaluatie van culturele en maatschappelijke organisaties, van evenementen en van festivals. Overheden en fondsen zijn naarstig op zoek naar betere manieren van waardering en evaluatie. Ze vragen organisaties allerlei informatie, hebben advies commissies van deskundigen, maar bevredigend is die aanpak alleszins. In Nederland zijn ‘maatschappelijke effecten’ in. Maar wat zijn die en wat hebben die te maken met de missie van de organisaties en activiteiten?

Jarenlang heb ik me als wetenschapper bezig gehouden met de waardering van culturele organisaties. De bedoeling is de sociale en artistieke kwaliteiten waar deze organisaties aan bijdragen in te schatten. De Nederlandse Bachvereniging heeft immers als doelen mooie muziek maken, een specifieke klassieke muzikale traditie in ere houden en kansen bieden aan grote muzikale talenten. Toneelgroep Amsterdam wil vernieuwend en baanbrekend toneel brengen en zou daar ook op afgerekend moeten worden.

Een festival wil behalve iets moois of spannends brengen bijdragen aan de sociale kwaliteiten van een stad. Die kwaliteiten zijn anders, belangrijker, dan de resultaten waar dit soort organisaties gewoonlijk op afgerekend worden, zoals aantal bezoekers, eigen inkomsten, aantal voorstellingen en economische impact. Of effecten in termen van schoonheid, bijdrage aan een traditie, experiment maatschappelijke genoemd mogen worden, is de vraag. Vaak zijn de opgesomde maatschappelijke effecten—zoals toename in aantal jongere bezoekers-- ondergeschikt of afgeleid van deze sociale en artistieke kwaliteiten.
 

Gezamenlijk met collega’s op de Erasmus Universiteit heb ik een methode ontwikkeld om de kwalitatieve impact van culturele organisaties in te schatten, de zogenaamde Quality Impact Monitor. We hebben haar onder meer toegepast op het culturele beleid van de provincie Gelderland, het subsidie beleid van het fonds podiumkunsten en in een sociaal-cultureel project in Turijn. De monitor wil een antwoord zijn op de vraag hoe maatschappelijke en culturele activiteiten te waarderen en te evalueren.
 

In navolging van mijn wetenschappelijk onderzoek nam ik me voor als wethouder te sturen op kwaliteiten. Of het nu over beschutte werkplaatsen gaat, over welzijnsorganisaties, buurten of culturele organisaties, de kwaliteiten die een ieder wil realiseren moeten voorop staan. Zij zijn het antwoord op de vraag waarvoor deze organisaties er zijn, waarom ze op aarde zijn.
 

De kwaliteiten die een organisatie nastreeft, of waaraan ze wil bijdragen, zijn haar missie ( en niet haar visie zoals zovelen ten onrechte menen, want visie geeft het wereldbeeld aan waarnaar gehandeld wordt).

Het benoemen van kwaliteiten blijkt steeds weer een grote uitdaging te zijn. In de praktijk werkt het vaak beter om pragmatisch te zijn en, zoals in het geval van het arbeids-ontwikkelings bedrijf, te focussen op kwaliteiten zoals 'goed coaching van kandidaten', 'inventief opereren met bedrijven', 'toenemend zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde bij de kandidaten', 'goede samenwerking met de deelnemende gemeentes'.
 

We dringen door tot de kernkwaliteiten door herhaaldelijk te vragen: waar is die kwaliteit, die uitkomst ,goed voor? Op basis van tal van exploraties komen we uit op vier domeinen waarin kernkwaliteiten te vinden zijn. In het sociale domein gaat het om sociale kwaliteiten zoals de kracht van lokale gemeenschappen, vriendschappen, convivialiteit, en gezelligheid. Maatschappelijke kwaliteiten zijn bijvoorbeeld rechtvaardigheid, solidariteit, duurzaamheid, educatie, tradities, democratie, nationale identiteit en, in het algemeen, een goede samenleving. Transcendentale kwaliteiten zijn overstijgende kwaliteiten zoals artisticiteit, creativiteit, spiritualiteit, schoonheid en waarheid.  Tenslotte zijn er de persoonlijke kwaliteiten, oftewel de waarden die belangrijk zijn voor mensen persoonlijk, zoals vakmanschap, goed zijn in iets zoals een goede moeder zijn of een goede vriend, het hebben van autonomie, het realiseren van innerlijke vrijheid of wijsheid, of allebei.
 

En nu de crux: het benoemen van kernkwaliteiten heeft alleen echt zin als tegelijkertijd duidelijk wordt wie de realisatie van die kwaliteiten kan beoordelen. Wie kan beoordelen dat het werk van Toneelgroep Amsterdam artistiek iets toevoegt? En wie bepaalt de werkelijke bijdrage van een festival aan de sociale kwaliteiten van een stad? Kunnen deskundige adviescommissies dat? Maar zeer ten dele, zo blijkt. Gaan we bezoekers vragen? Die gaan je vertellen dat ze geraakt waren, het mooi vonden, of 'cool.' Dat alles zegt weinig over de artistieke kwaliteit.
 

Daarom is een belangrijk onderdeel van de monitor het benoemen van de relevante stakeholders, van al die groepen, individuen en organisaties die een bepaalde stake of belang hebben bij de activiteit of organisatie onder evaluatie. Denk aan partijen als de directe omgeving, peers, liefhebbers, jongeren, ouderen, specifieke bedrijven, overheden, en zeker ook de vakmensen die de activiteit of organisatie mogelijk maken. Van hen allen willen we weten wat zij zelf belangrijk vinden en hoe ze de werkelijke kwaliteiten van de organisatie inschatten. Er zijn verschillende manieren om dit alles te weten te komen, zoals enquêtes, panels, focusgroepen en visitatiecommissies. De truc is om al de verkregen beoordelingen te bundelen om te komen tot een totale waardering van een activiteit of een organisatie.
 

De opgave die ik als wethouder heb  is collega’s en ambtenaren mee te krijgen zodat het inderdaad over de relevante kwaliteiten gaat, en dat we een evaluatie niet afdoen met weinig zeggende meetbare effecten maar dat we de relevante stakeholders serieus nemen. Ze zullen merken dat anders dan de economische manier van afrekenen, dat kil is en afstandelijk, het sturen op kwaliteiten lastig is maar ook warm en inspirerend. Het gaat per slot van rekening om de kwaliteiten.
 

Arjo Klamer is behalve wethouder Sociale Zaken en Participatie te Hilversum ook hoogleraar culturele economie aan de Erasmus universiteit

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door X (gemeenteambtenaar) op
Volgens mij is het van belang om te weten waar je naartoe wilt en is de politiek kader stellend in de "wat" vraag, oftewel, hoe ziet die samenleving eruit waar we heen willen, de stip op de horizon, wat is het ideaalbeeld. En dit liefst in samenwerking met de inwoners vormgeven. Een hoogleraar houdt zich bezig met methodiek inderdaad, maar een wethouder zou visie aan de dag moeten leggen. Deze methode is een mooie kwalitatieve methode, daar gaat het niet om, maar de vraag rijst of je accent op dure methodes moet leggen of dat je beter de te behalen eindresultaten op een zo slim mogelijke manier moet realiseren. Ik denk het tweede... maargoed, de keuze is aan de politiek
Door Broadcaster (gemeenteambtenaar) op
Dit lijkt me een ingewikkelde en geldverslindende methode om tot een eindconclusie te komen. Geld dat uit het potje voor culturele en maatschappelijke zaken moet komen. Dat potje bepaal je vooraf, bij de begroting en je kunt in principe niet meer uitgeven dan er in zit, hoewel ze daar in de culturele hoek vaak maling aan hebben en anderen graag met hun tekorten opzadelen. De eindconclusie is met deze methode in alle gevallen net zo warm en inspirerend als op de oude manier. Je krijgt centen uit de overheidskas of je krijgt ze niet.
Door Hor op
Weinig zeggende meetbare effecten vervangen door niets zeggende onmeetbare effecten; ambtenaar koning.