of 59054 LinkedIn

Revolutie in overheidsland

Veel gemeenteambtenaren, en vooral zij die werken voor Sociale Zaken, zijn zich nu wel bewust dat hun werkwijze drastisch aan het veranderen is. Na jarenlang gedacht en gesproken hebben alsof de overheid een bedrijf is en in een markt opereert (publiek management heet dat), heeft de overheid de samenleving ontdekt.

Dat project heeft de ongelukkige titel “participatie samenleving” gekregen. Hoe deze revolutie zal uitpakken, moet nog blijken. Zet ze door, dan betekent dat een radicaal andere verhouding tussen de burgers en hun overheid.

In 2012 nog klaagde de ombudsman in zijn rapport Mijn Onbegrijpelijke Overheid dat de overheid zich had afgekeerd van de mensen, door in onbegrijpelijke taal te communiceren en veel te weinig te doen aan het bekend maken van haar wetten. Ook voormalig senator Willem Witteveen (omgekomen met de MH17) waarschuwt voor de effecten van een ingekeerde overheid in zijn postuum verschenen magnus opus De Wet als Kunstwerk: Een Andere Filosofie van het Recht. Willem Witteveen schetst een overheid die vooral het eigenbelang in het vizier heeft.
 

In de opstelling van de overheid die Willem Witteveen beschrijft, staat het rechtmatigheidsprincipe voorop. Het gaat om een overheid die regels en wetten opstelt en een bureaucratisch systeem ontwerpt dat individuele gevallen objectiveert zodat iedereen gelijk wordt behandeld. Dit is de formele overheid. Die overheid moet zich wel afkeren van de samenleving ter wille van de rechtmatigheid en rechtvaardigheid. ('Persoonlijk heb ik moeite u deze strafkorting op te leggen, maar ik volg de regels.')
 

Omdat een strakke en ingekeerde overheid als inefficiënt en aanbodgedreven werd beoordeeld, werd in de jaren tachtig de marktlogica als een alternatief geïntroduceerd. Burgers werden klanten, moesten keuzes hebben, en daarom ging de overheid producten verschaffen en diensten inkopen omwille van de concurrentie. In mijn vorige column heb ik de absurde kant van de toepassing van de marktlogica belicht. 'Weg met de klant,' was mijn conclusie.
 

Wat is het alternatief? Gaan we terug naar de rechtmatige overheid waar regels en wetten de interacties met de burgers dicteren? Nee dus. Geïnspireerd door Amerikaanse denkers zoals Amitai Etzioni, Robert Putnam en Mark Moore (“the public value approach”), de Brit Phillip Blond (van The Big Society) en door de Nederlanders Evelien Tonkens,  Nico de Boer en Jos van der Lans (via de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling), hebben ambtenaren een geheel nieuwe taal geformuleerd die uitdrukking geeft aan de gaande revolutie.
 

Deze revolutie verraste me toen ik vorig jaar mei wethouder werd. Ik dacht vernieuwend te zijn met voorstellen om het gemeentehuis binnenstebuiten te keren, en de verhouding tussen ambtenaren en burgers om te gooien. In een project voor de provincie Gelderland dacht ik nog flink aan de weg getimmerd te hebben door de relatie tussen de provincie en culturele organisaties als een partnerschap te definiëren gebaseerd op gedeelde waarden en doelen.
 

Mijn ambtenaren bleken al druk bezig met de uitvoering van die ideeën. Ik kreeg stukken waarin gesproken werd over de wederkerigheid die Witteveen zo node miste. In het sociaal domein sprak men over 'zelfredzaamheid', 'naar eigen vermogen', 'de burger in haar kracht zetten', 'burgerinitiatieven'. En niet alleen de Hilversumse ambtenaren en politici spraken zo; ook elders gebruikten ambtenaren en lokale politici precies dezelfde uitdrukkingen. Ik kwam midden in een revolutie terecht, althans zo ervoer ik dat.
 

De revolutie - we zouden het ook een paradigmaverandering kunnen noemen - is een switch van de marktlogica, die naast de bestuurlijke logica opereerde, naar een sociale logica. Zoals Bond en Moore onder meer hebben betoogd, komt in de verhouding tussen de burger en de overheid de nadruk op het relationele te liggen. Gemeentelijke medewerkers houden op klantmanagers te zijn, en gaan in gesprek met de burger; ze onderzoeken gezamenlijk wat de vragen zijn, wat belangrijk is voor de burger, en wat beiden gaan bijdragen aan de beantwoording van de vragen. Natuurlijk geven beleidsregels de kaders aan waarin de medewerker opereert, maar het gaat om maatwerk, om steun, stimulans , en coaching. De relatie vraagt om wederkerigheid, om gedeeld eigenaarschap, en bant het betuttelen en paternaliseren uit waar toe sommige medewerkers de neiging hadden. Het gaat om een volwassen relatie.
 

Ik zou verheugd moeten zijn. Maar ik krijg steeds meer bedenkingen. Ik zie ten eerste problemen in de uitvoering van net nieuwe paradigma. Medewerkers blijven spreken van klanten, en vinden het moeilijk om op een goede en effectieve wijze de relatie aan te gaan. Hoe blijven we consistent? Wanneer gaan we dwang uitoefenen? Kunnen we überhaupt zo bestraffend te werk gaan als de wet nu voorschrijft? (Ik denk van niet.) Hoe verhoudt de sociale logica zich tot de bestuurlijke logica?
 

Daarbij blijft het perspectief van het stadskantoor overheersen. 'De burger moet participeren, zelfredzaam zijn, naar eigen vermogen werken.' Wie vindt dat? De burger zelf? 'We zetten de vraag van de inwoner centraal'. Wat als die vraag onduidelijk is? (Wat meestal het geval is.) 'Voorveld?' Heb ik als burger soms een voorveld? En sinds wanneer ben ik een mantelzorger? Ik zorg voor mijn moeder; die mantel moet een ambtenaar eraan toegevoegd hebben. Hoezo participatiesamenleving? Wat zou een samenleving zonder participatie zijn? Gebruik al deze uitdrukkingen te vaak, en het worden bezwerende formules die mensen buiten niet begrijpen.
 

Dat bezweren is blijkbaar nodig om te verhullen dat niemand een goed idee heeft hoe deze revolutie zal uitpakken  Kunnen we het met minder geld doen? Wat als toch 'mensen buiten de boot vallen?' Kortom, de switch naar sociale logica is wat mij betreft goed. Mijn bedenkingen betreffen de uitvoering en de vraag hoe we financieel uitkomen.
 

Arjo Klamer is wethouder Sociale Zaken in Hilversum en Hoogleraar Culturele economie aan de Erasmus universiteit

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door jeroen op
Als burger vind ik het altijd fascinerend om te lezen dat ambtenaren het over verschillende soorten overheid hebben, gemeente, rijks, belastingdienst, enz.. Ook dat zoiets als bestuurders, regeerders en ambtenaren enz. niet hetzelfde zouden zijn. Voor mij is er maar een overheid en iedereen die betaald wordt met belastinggeld is voor mij ambtenaar. Of ik nu een klant word genoemd kan mij eigenlijk niet zoveel schelen, er is nog steeds maar een overheid en ook de ambtenaren in de eerste en tweede kamer zullen er niet door veranderen.
Wat ik als klant of burger of wat ook graag zou willen is gewoon maar een contact met de overheid voor alle overheidszaken.
Door Broadcaster (gemeenteambtenaar) op
@ mr Apol: Het is juist dat de rijksoverheid de taken bij de gemeente over de schutting heeft gegooid om dat het zelf te bang was om pijnlijke maatregelen te nemen. Anderzijds is de relatie overheid - inwoners geen verkoper-klant relatie. Inwoners betalen niet evenredig voor de aan hen geleverde diensten maar onevenredig via de hen opgelegde belastingen. Dat levert schaarse middelen op ten behoeve van de samenleving. Daar moet je zorgvuldig en verantwoord mee omgaan. Dan moet je dus soms ook nee durven verkopen. Dat wringt met een verkoper - klant relatie en mede daardoor heeft de overheid dat de laatste jaren te weinig gedaan. Daar plukken we nu de wrange vruchten van want nu lijkt iedereen de klos. Mijns inziens is het nog steeds mogelijk om goede voorzieningen in stand te houden als je die maar zorgvuldig gebruikt. Dus steng zijn voor degenen die niet willen en mild voor degenen die niet kunnen. Daar lijkt een mooie taak voor u te liggen in het bijbrengen van de betreffende bestuurders en ambtenaren van dat besef en het trainen in de daarbij behorende vaardigheden. Veel succes!
Door mr G.R.A. Apol (Consultant / Trainer mediationvaardigheden) op
Prachtig verhaal. Maar hoe nu verder?
De termen “participatiesamenleving”, “zelfredzaamheid” en “de zorg moet dichter bij de burger komen”, gelardeerd met tv-spotjes die suggereren dat de ouderenzorg en de jeugdzorg er alleen maar beter op wordt, roepen woede en cynisme op bij de burger. De buren willen misschien wel een boodschap doen voor de zieke oude buurman, maar niet zijn billen wassen. En de kinderen wonen vaak niet om de hoek en hebben het gewoon druk met hun eigen gezin en werk.
Ieder weldenkend mens weet dat het, met het door de Rijksoverheid over de schutting gooien van een aantal taken naar de gemeenten met een reductie van 40% van het budget, geen verbetering zal worden. En wie dat nog niet weet, zal het binnenkort wel (letterlijk) aan den lijve merken!
De gemeenten zitten nu met de gebakken peren, want die zijn in veel gevallen nog niet goed toegerust om deze taken naar behoren te vervullen en met het beperkte budget kunnen ze die zorg natuurlijk niet beter maken dan die was. En het is nu aan de betreffende gemeenteambtenaren om in “keukentafelgesprekken” uit te gaan leggen wat er allemaal verslechteren gaat. Een ondankbare taak, die het imago van de gemeente bepaald niet zal verbeteren.
En dat is erg jammer, want er is de afgelopen jaren bij veel gemeenten juist gewerkt aan het verbeteren van het contact met de burger. Ik heb daar zelf de nodige trainingen voor mogen geven bij een aantal gemeenten en daarbij gemerkt dat de bereidheid en inzet groot is om anders om te gaan met klachten en bezwaren en met de uitvoering van Wmo-taken, handhaving en gebiedsmanagement. De focus werd gericht op verbetering van de serviceverlening aan de burger als klant.
Het zou beter zijn geweest als de Rijsoverheid de boodschap van de bezuinigingen op het terrein van de zorg eerlijk had gebracht en dit niet had verpakt in de mooie term “participatiesamenleving”. We zullen erin moeten berusten dat de koek op is en dat de zorg blijvend aanmerkelijk verslechtert. Let op mijn woorden: over een aantal jaren komt er een parlementaire enquête, waarin wordt vastgesteld dat, “met de kennis en inzichten van nu” kan worden geconstateerd dat de overheveling van de zorgtaken naar de gemeenten te snel en onzorgvuldig is gebeurd en dat er daarvoor te weinig geld en middelen zijn meegegeven.
Door Jhr. Van Avezathe en Zottegem (vrolijke burger) op
Ik heb genoten van deze column, maar ja één Arjo Klamer maakt nog geen zomer ! Overigens was wijlen Willem Witteveen een zoon van de beroemde en erudiete voormalig minister en emeritus-hoogleraar Wiiteveen.
Door Broadcaster (gemeenteambtenaar) op
De noodzaak tot bezuiniging is mede het gevolg van het marktdenken en het zien van inwoners als klanten. Daar hebben we de verkeerde soort ambtenaren mee opgeleid en dat ziet columnist mijns inziens goed. Die bezuiniging kan niet of onvoldoende bereikt worden door het vage begrip participatiesamenleving. Dat ziet columnist mijns inziens ook goed. Wat volgens mij wel helpt is dat je als overheid mensen met de juiste instelling selecteert. Bestuurders en ambtenaren die zich realiseren dat de middelen van de overheid schaars zijn en dat je daar zorgvuldig mee om moet gaan. Mensen die nee durven verkopen tegen mensen die niet willen. Dan bereik je niet alleen je benodigde bezuiniging maar blijft er genoeg over om ruimhartig te zijn voor degenen die niet kunnen.
Door Een ander geluid op
De participatie samenleving is bedacht in den haag als excuus om alle bezuinigingen op zorg uit te leggen. De overheid moet terugtreden en de samenleving (burgers) moeten meer zelf oplossen (vvd gedachte). Dat zou nog niet zo erg zijn, maar vervolgens denkt de overheid (gemeente) dat zij daar nog een rol in hebben en dat moeten faciliteren. Want laten we wel zijn, als ik als burger meer ga doen, waarom zou ik daar de gemeente bij betrekken. Als ik mijn ouders ga verzorgen (mantelzorg), waarom moet ik dan naar de mantelzorgdag van de gemeente?