Volg ons op: , 47953 LinkedIn of

Kijk snel bij: Abonnementen Adverteren BB Magazine

Raad kan niet dwingen tot stemonthouding

Het vraagstuk van de (schijn van) belangenverstrengeling blijft de gemeentelijke gemoederen bezig houden. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opnieuw als een olifant door de gemeentelijke porseleinkast is gelopen. 

Eerder sprak de afdeling in de zaak-Winsum uit dat niet alleen daadwerkelijke belangenverstrengeling, maar ook de schijn daarvan al een reden zou moeten zijn voor stemonthouding van raadsleden.

Door die uitspraak wordt de druk steeds groter. Een van de raadsleden hoeft maar te roepen dat een ander raadslid mogelijk een belang heeft bij de besluitvorming en dan is de schijn al gewekt. In de uitspraak-Winsum werd de stemonthouding echter nog min of meer gekoppeld aan de vraag of het betreffende raadslid op de wip zat. Indien zijn of haar stem de doorslag gaf, dan kon er een probleem ontstaan over de rechtsgeldigheid.

Op die uitspraak-Winsum is erg veel kritiek gekomen. Achtereenvolgende ministers werd opgeroepen om terug te keren naar het oude systeem van de Gemeentewet, waarbij de stemonthouding enigszins is geobjectiveerd. Raadsleden hebben een publieke plicht om te stemmen, alleen bij duidelijke belangenverstrengeling is stemonthouding geboden. In de Gemeentewet zou moeten worden opgenomen dat niet alleen het raadslid zelf beslist over die geobjectiveerde stemonthouding. Via een speciale procedure zou ook de raad – op voorstel van de voorzitter – daar een rol in kunnen spelen, met uiteindelijk een toets door de rechter.

De noodzaak voor een dergelijke procedure is aanzienlijk groter geworden nu de afdeling bestuursrechtspraak in de zaak-Loenen de kwestie helemaal op scherp heeft gezet. De schijn van belangenverstrengeling blijft mede maatgevend. Nu echter hoeft het raadslid niet meer op de wip te zitten en meldt de afdeling ook doodleuk dat een raadsmeerderheid op basis van art. 2:4 Awb ervoor moet zorgen dat het betreffende raadslid zijn stem niet uitbrengt. Zorgt de raad daar niet voor, dan is de rechtsgeldigheid van het betreffende besluit daarmee twijfelachtig geworden, waardoor via de rechter kan worden geïntervenieerd in het politieke proces.

Met andere woorden: als een raadslid roept dat een ander raadslid een belang heeft dan is er een schijn van belangenverstrengeling. De raadsmeerderheid zou dan meteen moeten besluiten dat betrokkene niet mee mag stemmen. Doet de raadsmeerderheid dat niet kunnen individuele raadsleden op basis van de Awb via de Raad van State het betreffende besluit alsnog torpederen.

Het is echter zeer de vraag of zonder uitdrukkelijke wettelijke grondslag een raadsmeerderheid wel kan besluiten tot stemonthouding. Dat klemt te meer in gevallen waarbij het enkel gaat om de schijn van belangenverstrengeling. In de staatsrechtelijke context is er grote terughoudendheid om meerderheden te laten beslissen over de positie van individuele volksvertegenwoordigers. Die prudentie kenmerkt het systeem van Grondwet en Gemeentewet. Er is in algemene zin geen mogelijkheid om stemonthouding af te dwingen. De afdeling dendert daar zonder al te veel scrupules overheen.

En daarom is er een dringende aanleiding voor een nieuwe afweging over de verhouding tussen enerzijds het systeem van stemonthouding uit Grondwet en Gemeentewet en anderzijds het regime van art. 2:4 Awb. Er is alle aanleiding om voor alle volksvertegenwoordigers – en dan niet alleen voor raads- en Statenleden – een duidelijk en geobjectiveerd stelsel in elkaar te steken. Nu gelden voor decentrale volksvertegenwoordigers allerlei vage criteria die bijvoorbeeld in het geheel niet gelden voor de leden van Eerste en Tweede Kamer.

De consistentie is over de gehele linie zoek en de afdeling bestuursrechtspraak vergroot die willekeur door aan raadsmeerderheden een bijna ongeclausuleerd recht te geven om te interveniëren in de staatsrechtelijke positie van het individuele raadslid. Het wordt dan ook tijd dat de minister van Binnenlandse Zaken ingrijpt. Minister Spies moet het initiatief nemen voor een duidelijke regeling en als ze dat niet doet dan zijn initiatieven van de Kamers geboden. 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Pieter-Bas Beekman (hoofd afdeling communicatie Raad van State) op
Prof. D.J. Elzinga betoogt in BB06 van 30 maart naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, dat aan raadsmeerderheden een bijna ongeclausuleerd recht wordt gegeven om te interveniëren in de staatsrechtelijke positie van een individueel raadslid.

Hij komt hiertoe, omdat een raadsmeerderheid op basis van artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht ervoor moet zorgen dat een raadslid, bij ook maar de schijn van belangenverstrengeling, zich van stemming onthoudt.

Elzinga vermeldt helaas niet de feiten van deze zaak. Die zijn voor een goed begrip van de uitspraak wel van belang. Enkele bedrijven hebben beroep ingesteld tegen de vaststelling door de gemeenteraad van Loenen van het bestemmingsplan ‘Loenersloot-Binnenweg- Kerklaan’.

Deze bedrijven zijn gevestigd op bedrijventerrein De Werf en voeren aan dat bij de vaststelling van het plan de schijn van belangenverstrengeling is gewekt, nu voor hen ongunstige wijzigingen zijn vastgesteld onder invloed van een gemeenteraadslid dat woont en werkt op het bedrijventerrein. Bij deze wijzigingen zijn de toegelaten milieucategorie, de ontsluitingsmogelijkheden en bouwmogelijkheden beperkt en is de bestemming ‘Groen’ toegekend aan een deel van de gronden waardoor hier geen bedrijvigheid mogelijk is.

Op de rechtszitting bij de Raad van State heeft de gemeenteraad gesteld dat voorafgaand aan de raadsvergadering in april 2010 een werkvergadering is gehouden waarbij het desbetreffende raadslid aanwezig was. Omdat hij woont en werkt op het bedrijventerrein, had hij een persoonlijk belang bij de wijze waarop het plan zou worden vastgesteld. Dit kon direct van invloed zijn op zijn woon- en leefklimaat.

Blijkens de notulen van de raadsvergadering heeft het raadslid tijdens de vergadering veelvuldig het woord gevoerd en amendementen ingediend. Deze zien op het verlagen van de maximale milieucategorie, het wijzigen van de bestemming van een deel van de gronden en het verlagen van de maximale bouwhoogte.

Al deze amendementen hebben een gunstiger woon- en leefklimaat tot gevolg voor het raadslid en een nadeliger positie voor de bedrijven.

Uit de notulen van de raadsvergadering leidt de Afdeling af dat het raadslid dus actief betrokken is geweest bij de besluitvorming die in feite heeft geleid tot een gunstiger woon- en leefklimaat ter hoogte van zijn eigen gronden.

Conclusie: naar derden toe is de schijn gewekt dat het persoonlijke belang van het raadslid van invloed is geweest op de besluitvorming. Het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 2:4 van de Awb.

Ter geruststelling van prof. Elzinga: een beroep op strijd met artikel 2:4 van de Awb wordt zelden gehonoreerd. In de afgelopen tien jaar slechts in drie gevallen. De Afdeling bestuursrechtspraak doet jaarlijks vele duizenden uitspraken. Ik vraag me af of Elzinga die in zijn column een groot staatsrechtelijk probleem lijkt te schetsen, de lezer hiermee niet op het verkeerde been zet.

Vacatures

Van onze partners