of 58959 LinkedIn

Onderzoek lek commissie kansloos

Paul Tang lekte in 2009 Prinsjesdagstukken en bekende. Er werd een indrukwekkende onderzoekscommissie ingesteld onder voorzitterschap van voormalig Procureur Generaal Joan de Wijkerslooth de Weerdesteyn. De commissie constateerde dat Tang een strafbaar feit had gepleegd en eigenlijk zou moeten worden vervolgd.

De commissie besloot uiteindelijk dat een dergelijke vervolging niet moest worden aanbevolen en wel omdat de Wet ministeriële verantwoordelijkheid uit 1855 die hier van toepassing is zo gebrekkig en wonderlijk in elkaar steekt dat een vervolging van een Tweede Kamerlid een ‘mission impossible’ is. Toepassing van deze regels zou zelfs mogelijk in strijd zijn met art. 6 EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) en wel omdat er voor een verdachte te weinig waarborgen zijn in dit bijzondere strafproces.

Hoewel de regels uit de Wet op de parlementaire enquête van toepassing zijn, doemen er allerlei ingewikkelde vraagstukken op. Bijvoorbeeld inzake de vraag of een verdachte via de enquêtemiddelen mee moet werken aan zijn eigen veroordeling. Dat is het vraagstuk van de zelfincriminatie. Ook de inzet van opsporingsmiddelen is uiterst problematisch indien het gaat om het onderzoek naar een Kamerlid. De last tot vervolging zit heel anders in elkaar dan gebruikelijk. Ik mocht destijds de commissie-De Wijkerslooth van advies voorzien en de algemene conclusie was dat hier een zeer onbevredigende situatie zou kunnen ontstaan.

In het decentraal bestuur worden schenders van de geheimhouding met prioriteit vervolgd en veroordeeld, terwijl op landelijk niveau een verdacht Kamerlid weg zou kunnen komen vanwege de aanwezigheid van een onmogelijke en onhanteerbare procedure. De commissie deed dan ook een dringend beroep op regering en parlement om deze regeling te herzien en door een andere regeling te vervangen. Tang ontsprong de dans en aan de gammele regeling in Grondwet en wet heeft niemand meer aandacht geschonken.

En nu zijn de rapen gaar. De Tweede Kamer is op aangeven van het College van Procureurs Generaal min of meer gedwongen om onderzoek te doen vanwege het lek in de commissie-Stiekem. De brief van de Kamervoorzitter laat meteen al een baaierd aan problemen zien. De wet voorziet in een procedure waarbij er eerst een aanklacht moet zijn, en kennisgeving aan betrokkene en vervolgens de instelling van een onderzoekscommissie die wel of niet een last tot vervolging moet vervaardigen. Er is echter geen aanklacht en kennisgeving, maar volgende week wel een onderzoekscommissie.

Ook wordt in de brief de vraag gesteld of de commissie mogelijk onder­zoek kan doen zonder namen te kennen. Bij het antwoord stuit men meteen op de procedure uit de wet die ervan uitgaat dat er een aanklacht, naam en rugnummer is. Indien de moderne waarborgen en voorschriften uit het strafrecht en de strafvordering worden gespiegeld aan de uiterst merkwaardige opzet van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid dan moet de conclusie zijn dat de nu ingezette procedure in diverse opzichten de toets der kritiek niet kan doorstaan. Indien betrokken Kamerleden onder ede worden geplaatst zonder dat ze weten of ze verdachte zijn, dan is dat een onacceptabele positie die in strijd is met art. 6 EVRM. Mocht er een weigering zijn om onder ede te verklaren dat men niet heeft gelekt, dan kan dit worden gerechtvaardigd omdat men niet hoeft mee te werken aan een vorm van zelfincriminatie. Wat nu op stapel staat is dus een ‘mission impossible’. De Kamer heeft dat aan zichzelf te wijten omdat de verstandige aanbevelingen  van de commissie-De Wijkerslooth destijds zijn genegeerd. Zo komt dan boontje dan om zijn loontje.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.