of 59236 LinkedIn

Kaderstelling moet scherper

Het aantal bevoegdheden van de colleges van burgemeester en wethouders is de afgelopen jaren spectaculair gegroeid. Als wordt gekeken naar het budget van de gemeenten dan is die groei meer dan 100 procent. Tegelijkertijd is de controlerende positie van de gemeenteraden aanzienlijk zwakker geworden. De kloof die daardoor ontstaat wordt steeds groter en vereist aandacht en zorg. 

Als vakdepartementen taken aan de gemeente overdragen, gaat dat in hoofdzaak in de vorm van medebewindstaken voor het college. De colleges moeten verplicht meewerken aan de uitvoering van nationale regelingen. Op de vakdepartementen heeft men geen verstand van de interne verhoudingen in de gemeenten en dat is ook wel begrijpelijk. Bij de totstandkoming van deze sectorale wetgeving moet het departement van Binnenlandse Zaken (BZK) er dan ook op letten dat de gemeenteraden voldoende aan hun trekken komen. Welke positie is nodig om de raad in controle te houden? Op welke onderdelen zijn verordeningen nodig? Waar zijn aanvullende controlemiddelen geëigend? BZK heeft deze zorg voor de positie van de gemeenteraad de afgelopen jaren echter structureel verwaarloosd, waardoor aan de vakdepartementen de vrije hand werd gegeven en de gemeenteraden daarvan het slachtoffer zijn geworden.

Dat komt onder meer omdat de meeste decentralisatie-experts op BZK zijn wegbezuinigd. Het departement heeft een agenda ontwikkeld waarop prioriteiten zoals deze niet of nauwelijks meer voor komen. Voor de gemeentelijke democratie betekent dit dat de gemeenteraden het moeten doen met de algemene wettelijke controlemiddelen.

Dat betekent in de eerste plaats controle achteraf. Daarvoor zijn diverse instrumenten voorhanden, maar veelal ontbreekt een formeel en inhoudelijk toetsingskader voor die repressieve controle. In de tweede plaats betekent dit dat de raden de bevoegdheden van de colleges wel kunnen inkaderen met allerlei politiek-bestuurlijke wensen en verlangens, maar die kaderstelling is nogal vrijblijvend. En in de gemeentelijke bestuurspraktijk wordt maar al te vaak door de colleges aan de raden voorgehouden dat deze niet op de stoel van het college mogen gaan zitten en dus terughoudend moeten zijn bij hun controletaak. Strikt genomen is die redenering juist. De grens voor politiek-bestuurlijke kaderstelling ligt in het wettelijke verbod voor de raden om de bevoegdheden van de colleges over te nemen.

Toch moet er bij de raden op worden aangedrongen veel meer werk te maken van deze kaderstellende taak. Als de raden niet aan hun trekken komen, kan in beginsel door een raadsmeerderheid worden doorgedrukt en wel door het opzeggen van het politieke vertrouwen. De aanwezigheid van dat ultieme middel maakt de raden op papier sterk en machtig, maar de praktijk laat een heel ander beeld zien. Veel scherpere politieke kaderstelling kan een breekijzer zijn om de controlerende positie van de gemeenteraden te herstellen. En een scherpere praktijk is dan tevens een oproep aan het departement van BZK om de bakens drastisch te verzetten en weer een echte verdediging te gaan voeren van het decentrale gedachtengoed.

De afgelopen jaren heeft BZK de gemeenten en de provincies in de uitverkoop gedaan. Het wordt tijd dat daar een einde aan wordt gemaakt.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.