of 59045 LinkedIn

Alle raadsleden dezelfde informatie

Een goede informatieverstrekking is de kurk waarop de lokale democratie drijft. Controle en verantwoording kunnen alleen goed functioneren indien betrokkenen weten waarover het gaat. Bij die informatieverstrekking speelt voortdurend de vraag hoe de verhouding is tussen individuele en collectieve posities. Moet alle informatie die aan een individueel raadslid wordt gegeven automatisch worden doorgespeeld aan de andere raadsleden?

In de gemeentelijke praktijk is dat een weerbarstig thema waar verschillend mee wordt omgegaan. Het beeld is het meest gevarieerd op het punt van de mondelinge informatie en de mondelinge vragen. Een raadslid kan een burgemeester of een wethouder op de gang aanschieten of bellen en daarbij om bijvoorbeeld feitelijke of technische informatie vragen.

Bij deze veelvormige mondelinge vragen en antwoorden is dan ook geen algehele en sluitende plicht tot collectivering te formuleren. Anders gezegd: bij het verstrekken van mondelinge informatie aan individuele raadsleden door collegeleden of de burgemeester als afzonderlijk bestuursorgaan kan niet sluitend en over de hele linie worden verzekerd dat ook andere raadsleden of derden over die informatie kunnen beschikken.

Bij de mondelinge informatieverstrekking is er enerzijds een formeel kader – de mondelinge informatie gegeven op vragen in raads- en commissievergaderingen – en een informele setting. De informatie die wordt verstrekt in die informele setting zou men ‘onderhands’ kunnen noemen. Belangrijk is nu vervolgens de vraag of schriftelijke vragen die in het kader van de artikelen 169 en 180 Gemeentewet worden gesteld aan college of burgemeester ook kunnen worden onderscheiden in ‘onderhandse’ en ‘niet onderhandse’ schriftelijke vragen. In de toelichting bij de Gemeentewet van 1992 werd dat onderscheid gemaakt en dat is een voortdurende bron van verwarring. Ook in de praktijk – zoals bijvoorbeeld in de gemeente Westland – wordt dat onderscheid soms aangehouden. Daarbij maakt het vragende raadslid dan zelf uit of er (1) sprake is van een ‘onderhandse’ vraag of (2) van een vraag, waarbij een beroep wordt gedaan op de antwoordplicht van college en burgemeester, zoals neergelegd in de Gemeentewet. In geval 1 zou het dan niet nodig zijn om de antwoorden ook aan andere raadsleden te verstrekken, terwijl in geval 2 hiertoe een plicht bestaat. In feite betekent dit dat het individuele raadslid beslist over de vraag of de verstrekte informatie wel of niet behoort te worden gecollectiveerd.

Een dergelijke redenering voert tot een situatie die de wetgever onmogelijk kan hebben beoogd. De tekst van de Gemeentewet biedt hiervoor ook geen enkel aanknopingspunt. Het gevolg zou zijn dat de kenbaarheid van informatie voor andere raadsleden en derden – door de wetgever erg belangrijk gevonden – door individuele raadsleden zou kunnen worden ondermijnd. Immers zij ondervinden geen enkele belemmering als ze al hun schriftelijke vragen bestempelen als onderhands. En dan zou daaraan bijna een recht kunnen worden ontleend om de informatie voor zichzelf te houden en zou een hindernis kunnen ontstaan voor degene die het antwoord heeft gegeven om dit aan anderen kenbaar te maken. Er is dus reden om aan te nemen dat alle schriftelijke informatie van college en burgemeester aan een individueel raadslid – behoudens bij specifieke vertrouwelijkheid of geheimhouding – per se ook aan andere raadsleden moet worden gegeven. Dit is realiseerbaar door de onderhandse schriftelijke vragen over de hele linie af te schaffen. Voor mondeling gegeven informatie kunnen spelregels worden gemaakt om vast te stellen welke informatie wel of niet met andere raadsleden moet worden gedeeld.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.