of 59221 LinkedIn

Sterkere positie minister BZK nodig

De nadere rolomschrijving voor de opvolger van PvdA-minister Plasterk is opgesteld door de Raad van State in de vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) dient binnen het kabinet niet alleen bij de voorbereiding van de beslissing en de besluitvorming over decentralisatie van bevoegdheden een zwaardere stem te krijgen, maar ook bij de vaststelling van maatregelen die de uitoefening van gedecentraliseerde bevoegdheden raken.

In het nieuwe kabinet moet de positie van de minister van Binnenlandse Zaken bepaald steviger worden. En hij of zij dient voor gemeenten en provincies, anders dan in Rutte II, ook een duidelijk aanspreekpunt binnen het kabinet te zijn.

De nadere rolomschrijving voor de opvolger van PvdA-minister Plasterk is opgesteld door de Raad van State in de vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) dient binnen het kabinet niet alleen bij de voorbereiding van de beslissing en de besluitvorming over decentralisatie van bevoegdheden een zwaardere stem te krijgen, maar ook bij de vaststelling van maatregelen die de uitoefening van gedecentraliseerde bevoegdheden raken. ‘Een coördinerende rol is daartoe ontoereikend’, aldus het RvS-advies. De minister zou mede verantwoordelijkheid moeten dragen met betrekking tot dergelijke maatregelen door ze mede te ondertekenen. ‘Op die wijze krijgen ook gemeenten en provincies een duidelijker aanspreekpunt binnen het kabinet.’

Onbevredigend
Met het vorige regeerakkoord werd tot definitieve decentralisatie van het sociaal domein besloten, inclusief de financiering ervan. Decentrale overheden hebben volgens de RvS de tijdens de formatie gemaakte keuzes als een dictaat van de centrale overheid ervaren. ‘De koepels hadden wel overleg met de informateurs en nadien vond bestuurlijk overleg plaats met het kabinet, maar daarin vormden de afspraken tussen de fracties in de Tweede Kamer in het regeerakkoord een vaststaand gegeven, inclusief het financieel kader dat daarvoor was vastgesteld’, aldus de RvS.

Van een echt gesprek of onderhandeling tussen gelijkwaardige partijen was geen sprake. Gemeenten en provincies hebben de gang van zaken rond de besluitvorming over de decentralisaties in het regeerakkoord vooral daardoor als onbevredigend ervaren. Dat moet in voorkomende gevallen volgens de RvS anders, omdat de interbestuurlijke verhoudingen onder druk komen.

Het overleg tijdens een kabinetsformatie zal, gegeven de aard van dat overleg altijd sterk het karakter hebben van ‘het horen’ van de decentrale overheden. In een regeerakkoord zou afgesproken moeten worden dat over de uitwerking van voorstellen, die de medeoverheden raken, nader overleg plaatsvindt met de medeoverheden. Precies zoals dat ook gebeurt ten aanzien van maatregelen die sociale partners raken.

Soepeler regels
Een nadrukkelijkere coördinerende rol van BZK in samenwerking met de gemeente- en provinciekoepels is volgens de Raad van State gewenst. In het belang van de uitvoerbaarheid en beperking van lasten is het nodig dat gemeenten en provincies bij de uitvoering van de gedecentraliseerde taken niet bij ieder wetgevingscomplex worden geconfronteerd met verschillen in opzet, omschrijving of nadere voorwaarden. Dat geldt vooral indien de wetgever integraal beleid verwacht van gemeenten. Dan zullen de desbetreffende wettelijke bepalingen op elkaar afgestemd moeten zijn, om uitvoerbaar te zijn. Dat is tot dusver niet in alle gevallen geslaagd, volgens de Raad van State. Met name de Participatiewet lijkt ‘weinig ruimte te bieden voor het experimenteren met soepeler regels voor bijstandsgerechtigden’, stelt te Raad.

Beleidsruimte
Ook moet worden voorkomen dat de voor maatwerk noodzakelijke beleidsruimte geleidelijk weer wordt ingeperkt door aanvullende regels die in reactie op nieuwe vragen of knelpunten worden vastgesteld. Op al die terreinen is een eenvormige aanpak noodzakelijk en kunnen gemeenten en provincies op het niveau van de regering of afzonderlijke wetgevingscomplexen niet worden geconfronteerd met gescheiden opererende bewindslieden. ‘De door de decentralisaties vergrote wederzijdse afhankelijkheid van rijk en medeoverheden vraagt om een sterkere positie van de minister’, besluit de Raad van State.

Lees het volledige artikel in Binnenlands Bestuur nr. 16 van deze week (inlog)

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door doeterniettoe (-) op
Dat de keuze tot decentralisatie werd ervaren als een dictaat is logisch: dat was het ook.
De minister heeft dat vervolgens braaf uitgevoerd, zoals alle ministers en staatssecretarissen hebben gedaan. Dat is aan de ene kant goed, afspraken nakomen. Aan de andere kant: die afspraken waren uiterst politiek en gingen (en gaan nog steeds) voorbij aan de realiteit en maatschappelijke wensbaarheid.

Wellicht wordt het tijd voor een ander dogma dan 'terugtrekkende overheid', eentje waar burgers én overheden wel van op aan kunnen.
Door Lezer op
Als ik het goed begrijp is dit artikel gebaseerd op het RvS-advies "vierde beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen". Die verscheen in november 2016. Wat is dan de actualiteitswaarde van dit artikel?
Door p op
@Broadcaster en ambtenaren die niet aan elkaar hoeven te vragen voor welke reorganisatie ze nu weer werken
Door Broadcaster (gemeenteambtenaar) op
Het lijkt me hoe dan ook zaak dat het een sterke minister wordt.